Noorwegen: niet weer naar de sneeuw?

Ik ben een paar keer eerder in Noorwegen geweest. De eerste keer was een week in de haven van Narvik, omdat daar het noordelijkste treinstation van Europa is (maar verder weinig om over naar huis te schrijven). De andere keren lag alles onder een dikke laag sneeuw: een winterbivak bij Fermunden, Hurtigruten-bootreis naar de Noordkaap en sneeuwschoenwandelen op de Hardangervidda.

Dus ik zei tegen Erik: nu wil ik Noorwegen een keer zonder sneeuw zien.

Gek genoeg stonden we afgelopen week toch op 1300 meter in een whiteout. Er was dus ergens iets mis gegaan.

Het beloofde land

We hadden de zomer weggeklust en zagen op de rand van de herfst nog een kans om er vandoor te gaan. Erik verlangde specifiek naar Noorwegen (het beloofde land), wij beide naar ruige natuur en samenzijn. Ik zat thuis al een tijdje in een vermoeiende combinatie van stres en verveling die ontstaat als je iets doet dat heel veel moeite kost maar je eigenlijk niet zo boeit. Bij mij gebeurt dat als ik teveel dingen doe die met de absurditeit van de moderne maatschappij te maken hebben en te ver van de natuur af staan. Ik miste de natuur zo erg, dat ik wat sterkers nodig had dan een dagje Veluwe om het weer goed te maken.

De eerste dag in Denemarken was direct een keerpunt. Na een lange dag treinen kampeerden we op een bivakzone in de duinen, plukten duindoornbessen en beklommen een vuurtoren voordat we aan boord van de boot naar Bergen gingen.

Bij het krieken van de volgende dag voeren we vlak langs de kust waar we bruinvissen zagen. In Bergen konden we een volgende boot nemen die het Sogndalsfjord invoer, en zo zaten we direct tussen de spectaculair hoge bergen.

Kajak

Sogndal was een cadeautje. Van avontuurlijke mensen die Erik een keer in de bergen had ontmoet mochten we in hun vakantiehuis slapen. Het lag direct aan het fjord. Er waren kajaks, fietsen, ze nodigden ons uit om te komen eten en brachten ons naar Molden.

Molden is een soort ‘been there, done that‘-berg. Die moet je beklommen hebben voor je doodgaat. Vanaf de top hadden we een spectaculair uitzicht over de hogere pieken van de Jotunheimen en de Jostedalsbreen en het fjord in de diepte. De zon scheen uitbundig, de bosbessen waren zoet en sappig, de herfstkleuren sprongen ons tegemoet.

Maar waar ik het meeste naar uitkeek, was om de kajaks te water te laten. Op een droge, windstille ochtend dreven we op zeeniveau tussen de machtige bergen. Ik was extatisch maar ook bang. Dat laatste omdat ik mijn vader altijd met twintig noodpijlen en een marifoon in zijn zeekajak zie stappen terwijl bij mij mijn spatzeil niet eens paste. We bleven dicht bij de kant en kwamen dolenthousiast weer terug.

Ik zei: ik wil écht kunnen varen. Erik zei: ik wil zelf kano’s bouwen. Onze levenslust begon weer op temperatuur te komen. Diezelfde avond meldden we ons aan voor de Wageningse kanovereniging en bestelde Erik twee boeken van een houtenkajakbouwgoeroe.

Zeehond

De volgende dag zagen we de eerste sneeuw op 1000 meter vallen.

Daarna zwom er een zeehond voor ons huisje langs.

Kortom: er stond ons nog heel wat te wachten.

De comfortabele houtkachel en het warme huis-met-zeezicht moesten op een gegeven moment wel plaatsmaken voor iets ruigers. We werden onrustig, wilden de bergen in. Erik had een DNT-hut op het oog aan de andere kant van het fjord. We konden met de veerboot overvaren en vanaf daar was het 22 kilometer en ruim 1300 hoogtemeters lopen.

In het dal scheen de zon op de groen-bruin-rode herfstbergen. Nog niet alle blaadjes waren gevallen en het was bijna warm. Hoog boven ons hingen de pieken in een grijze wolk van sneeuw. Het zou opklaren, volgens het weerbericht, maar ik zag de bui al hangen.

Sneeuw

Vanaf een plateau op 700 meter hoogte hadden we nog een laatste uitzicht over het dal en het fjord. Daarna klommen we naar 1000 meter en verdwenen we in de mist.

Het pad was niet bewegwijzerd en er lag een steeds dikkere laag sneeuw op zodat hij op een gegeven moment niet meer te zien was. Af en toe trokken de wolken op en zagen we uitgestrekte witte vlaktes. Daartussen lagen gure meren die nog niet dichtgevroren waren. Als de wolken terugkwamen trok ook de wind aan en moesten we ons schrapzetten om niet van de helling geblazen te worden. Godzijdank hadden we de wind en de sneeuw in de rug zodat we konden zien waar we liepen.

Ik heb nog nooit zo van een winterlandschap genoten. Sneeuwhoentjes fladderden links en rechts om ons heen. De sneeuwgebieden waar ik tot dan toe gewandeld had waren vlakker, hier waren de bergen gigantisch. Maar het was ook gevaarlijk. Ergens halverwege de klim waren we echt de route kwijt en moesten we om de paar minuten op de gps kijken. Teruggaan was geen optie meer. Als we hadden geweten dat er al zoveel sneeuw zou zijn, hadden we een andere hut uitgezocht. Wat me geruststelde was dat we een tent, winterslaapzakken en voor drie dagen eten mee hadden.

Na een uur of twee begon eindelijk de afdaling. We volgden een snelstromende ijsrivier die breed uitaderde en die we een paar keer over moesten steken. Over keien en graspollen laveerden we door een drassige vlakte tot we in de diepte eindelijk de gravelweg zagen liggen die naar de hut zou leiden.

Verlangen

Ik kan me niet eens herinneren hoe lang we door de sneeuw geploeterd hebben. Mijn planmatige geest was een paar uur lang heel primair, ik was elk gevoel voor tijd en afstand kwijt. De mentale vermoeidheid waar ik al maanden mee rondliep was verdwenen. Ik was scherp, had zin in het leven, voelde een onverklaarbaar en schijnbaar onuitputtelijk soort kracht en energie. Erik voelde het ook.

‘Het is aan,’ zei hij.
‘Het is heel erg aan,’ zei ik.

Aan het einde van de ijsrivier kwam er een spectaculair dal om de hoek gezeild waarvan ik nog steeds tranen in mijn ogen krijg. Het was een brede, kronkelige bedding. Leeg, uitgestrekt met overal rode en groene begroeiing die door de sneeuw prikte. En daarboven de grauwwitte rotsen die als vloedgolven over ons heen leken te rollen – bevroren op de overgang van herfst naar winter.

Verlangen.

Dat dacht ik toen ik later in bed lag. Zo voelt het als je datgene vindt waarnaar je het meeste verlangt. En dan moest ik weer huilen.

Jashaugbu

We kwamen na elf uur klimmen en dalen bij de hut (Jashaugbu) aan. Jashaugbu is vanaf de andere kant via een gravelweg bereikbaar en we waren niet heel verbaasd dat er ook andere mensen waren. In de kleine ruimte aten en sliepen we met zijn zessen. Bij de houtkachel ontdooiden we snel en de Noren trakteerden ons op zelfgemaakte noodlesoep.

We sliepen als baby’s – niet die huilende, maar die blij in hun trappelzak op een duim liggen te sabbelen.

Vanaf de hut liep een comfortabele 22 kilometer lange gravelweg naar een bushalte in het dal. De weg was verrassend mooi. We konden nu ontspannen in al het natuurschoon, liepen met ons gezicht in de zon en kwamen onderweg nog wat flinke watervallen tegen. Het laatste stuk ging door een oude tunnel die niet meer in gebruik was. Open Street Map herkende het niet als wandelroute, onze papieren kaart wel. En dat was onze algehele ervaring met Noorwegen: als je interessante wandelroutes wilt, koop je een kaart. Op Open Street Map (dus ook op Komoot en veel andere navigatie-apps) mist de helft van de paden.

Forellen

Na het sneeuwavontuur werd het te slecht weer in de hoge bergen. We wandelden naar Rongastovo dat op een aangename 440 meter hoogte lag en deden het vanaf dat moment wat rustiger aan. We zaten weer middenin de herfst met een waterig zonnetje, paddenstoelen en rijp op de koude ochtendbodem. Op 600 meter zochten we naar forellen in een bergrivier. Met onze donsjassen aan lagen we op de keien en volgden we de vissen die stroomopwaarts sprongen en zich onder stenen verscholen.

In dezelfde rivier zagen we verder stroomafwaarts een waterspreeuw, een kleine, bolvormige vogel met een hoog schattigheidsgehalte die – hoe krijgt hij het voor elkaar? – over de bodem van de rivier kan lopen.

Toen de adrenaline van het avontuur wat bedaarde en de werkdruk van thuis uit ons systeem sijpelde, realiseerden we ons ook hoeveel we elkaar gemist hadden. Eerst schrok ik ervan dat het weg kon zijn, het simpele zijn in elkaars aanwezigheid en de vanzelfsprekendheid dat de ander dichtbij voelt. Daarna realiseerden we ons dat we het niet vast konden grijpen. En nu we eindelijk konden ontspannen, kwam het vanzelf terug.

Hij, ik, de wildernis en de ruimte om samen weer groots te dromen – dat was Noorwegen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑