Buitendagboek

Zaterdag 14 november [Reeuwijk]

Als je van Schiedam naar Reeuwijk fietst, heb je grofweg twee opties: je rijd door een lint van verstedelijking of door rommelige polders waarin je elk halfuur een snelweg kruist. Op de heenweg doe ik het een en op de terugweg het ander. Toch is het genieten. Zodra de coronatest negatief bleek, heb ik mijn tent in de zadeltas gegooid en ben ik alsnog naar de kamperende vrienden gefietst. Die staan inmiddels bij Reeuwijk op een campspace, wat een soort kampeerplaats bij mensen in de achtertuin is, een Airbnb voor je tent. Het is goed dat ze bestaan, want ze zijn vaak simpeler dan een camping (minder voorzieningen is meer avontuur) en in de winter open.
De vrienden zijn al bezig om het kampvuur aan te steken. We eten tortilla’s met bonen uit een zak. Wat heb ik dit gemist, de vrienden, niet de bonen. Ik was al sociaal lui en met corona zie ik helemaal weinig mensen. De bubbel thuis met Erik en onze outdoorplannen is erg fijn, maar het is goed om de wereld soms in een wat groter perspectief te zetten, te zien hoe het met anderen gaat en wat ze bezighoudt. Tot twee uur ’s nachts zitten we bij het kampvuur het leven door te spreken.

Vrijdag 13 november [Schiedam]

Ik ga weinig naar buiten want ik ben al een paar dagen niet lekker. Pas vrijdag kan ik voor een coronatest terecht, en tot die tijd mogen we dus niet zoveel. Stiekem geniet ik er van om eens ongegeneerd lui te zijn. Ik oogst de laatste groenten uit de balkontuin, snijbiet en slabonen. Met de snijbiet maakt Erik een hartige taart. En we vullen een emmer met broed en koffieprut om oesterzwammen te kweken. ’s Avonds speel ik trompet, wat ik weer drie maanden niet gedaan heb, dus het klinkt nergens naar, maar het voelt wel lekker. Het enige waar ik van baal, is dat ik niet mee kan met twee vrienden die op een camping bij Schoonhoven staan.

Dinsdag 10 november [Schiedam]

Ik doe iets dat niet bij mijn buitenleefimago past en het voelt ongemakkelijk. Ik heb me aangemeld voor een live masterclass ‘Ontdek je eigen stijl’ met Chiara Spruit. De masterclass werd aangeboden via hetkanwel.nl, die altijd een hoop interessante dingen over duurzaam leven en voedsel schrijven, en de insteek was om te leren hoe je alles in je kledingkast ook echt gebruikt.
Er hangt niet zoveel in mijn kledingkast. Ik heb een keer een capsule wardrobe gemaakt met zo’n 30 kledingstukken en sindsdien is dat aantal niet echt meer veranderd. De helft van die 30 stukken zijn klim-, fiets- en wandelkleding. Waarom volg ik dan de masterclass? Omdat ik kleding leuk vind maar ook slecht ben in de dingen dragen waarin ik me mooi en sterk voel.
Chiara is dolenthousiast. Ze geeft allerlei aanwijzingen over kleur, pasvorm, materiaal en het combineren van kledingstukken. Dat is boeiend, maar het zijn niet zozeer de tips die blijven hangen. Ze doet veel meer dan een lijstje met ideeën opsommen, ze geeft me het gevoel dat ik kleding leuk mág vinden, dat ik me niet ongemakkelijk hoef te voelen, en dat ik ook daarin mijn eigen ding mag doen, want er zijn geen regels, net als op alle andere vlakken van het leven waarin je je eigen stijl kunt ontwikkelen.
‘Hoe kan ik me vrouwelijker kleden?’ Vraag ik.
‘Door te bedenken wat vrouwelijkheid voor jou betekent in een kledingstuk,’ zegt Chiara, ‘en daarbij dicht te blijven bij wie je bent’.
Als ik na de masterclass de kast opentrek realiseer ik me dat mijn eigen stijl daar al hangt, verweven met alles wat ik in het dagelijks leven doe: bewegen en buiten zijn. Mijn Patagoniabroeken, Fjällraventrui, de merinowollen bloes die ik nooit hoef te strijken en de t-shirts van Alpkit zijn geen modestatement en geen ‘items’ in een ‘outfit’. Ze worden iedere dag intensief gebruikt waarvoor ze bedoeld zijn, ze passen perfect en de vorm en materialen kloppen. Dat maakt ze mooi en stijlvol, en mij op goede dagen ook.

Zaterdag 7 november [Groesbeek]

Het is zeven uur ’s avonds, donker en we liggen verstopt achter jonge boompjes en struiken in het bos bij Groesbeek. Op de plek waar we onze bivakzak hebben neergelegd is een grote den omgehakt. Andere staan er nog, in een cirkel om ons heen, maar we hebben vrij zicht op de hemel. Het is helder, dus koud. Satellieten knipperen tussen de sterren door. We zijn dik ingepakt in dons, onze slaapzakken dichtgesnoerd, met wollen sokken aan. En moe van een lange wandeling – heuvel op, heuvel af door de Maasduinen. Er zijn weinig dingen die we liever doen dan dit.
Om acht uur gaat een uil aan. Er valt een ster naar benden. Ik doe een wens voor de wereld en hoop dat het helpt. Om half elf word ik wakker en schijnt de maan door de bomen. Zo gaat het de rest van de nacht door, met lange periodes van slaap, en korte intervallen van wakker zijn en het bos om ons heen zien en horen veranderen. De autoweg wordt stil, de uil vertrekt, dan is er alleen het zachte ruisen van een nauwelijks voelbare wind.
Met het eerste zonlicht komt het bos weer tot leven. Eerst de mensengeluiden, want er zijn er altijd een paar die voor de vogelgeluiden uit gaan omdat ze ergens heen moeten. Een uur later worden ze overstemd door de vogels en kruipen wij met tegenzin het warme dons uit. Binnen een kwartier hebben we spullen gepakt en lopen we door een nog verlaten bos, naar een zonnige heuvel om koffie en thee te maken.

Dinsdag 3 november [Delft]

We zijn lid en daarmee gelijk ook mede-eigenaar geworden van Odin, de grootste biologische voedselcoöperatie van Nederland. Ik heb lang nagedacht over wat ik nou voor positiefs kan doen in een wereld die voor mijn gevoel op instorten staat. Ik doneer al jaren 1% van mijn inkomen aan goede doelen voor natuur en mensenrechten. Ik maak allerlei bewuste keuzes, waarvan ik geen auto bezitten en zo min mogelijk consumeren de belangrijkste vind. We bouwen een duurzaam huis. Maar het kan nog wel een stap verder, en die volgende stap is voedsel.
Want van alles wat ik voor de wereld doe – behalve een huis bouwen, maar dat is er nog niet en bouw ik in eerste instantie vooral voor mezelf – zie ik weinig terug in de fysieke wereld. Ik maak geen mensen blij, ik zie geen direct resultaat. En dat geeft niet, want direct resultaat is niet altijd het beste voor de wereld, maar daardoor voelt het toch alsof ik niet echt iets doe.
Met voedsel verbouwen is dat anders, weet ik sinds ik dit voorjaar een kleine eetbare tuin op het balkon begon. Ik zie meteen resultaat. Er komen bijen waar eerst geen bijen waren, er is voedsel waar eerst geen voedsel was, en er is afval, dat ook. Kilo’s groenafval dat door de wormen wordt gecomposteerd. In een tuin kun je zoveel doen voor de wereld, zoals beesten trekken en van een dood stuk beton of gazon een gezonde groene omgeving maken. Ik maak natuur door voedsel te verbouwen, en dat voelt goed.
Ik heb alleen niet zoveel grond, dus de impact blijft beperkt. Zo kwam ik op het spoor van het biologische voedselsysteem. Het kost wat meer dan de zwaar gesubsidieerde monoculturen die in de supermarkt liggen (en waarvan ik niet kan geloven dat de gemiddelde teler daar echt gelukkig van wordt). Er is een ander landbouw- en distributiesysteem voor nodig. Maar dan staan landbouw en natuur niet meer lijnrecht tegenover elkaar. Die twee kunnen samen gaan, het landschap wordt er diverser van, de grond gezonder en mensen gelukkiger. Dat is het idee achter Odin. Met meer dan 11.000 leden houden ze een heel systeem van boerenbedrijven, imkerijen, supermarkten, groothandels en groente- en fruitabonnementen in de lucht.
Ik fiets elke week naar Delft om zo’n groente- en fruittas op te halen en nog wat extra boodschappen te doen. Ja, het is duurder en het kost me meer tijd. Maar ik zie het als een investering om de wereld leefbaar te houden. En het inspireert me om verder te werken aan een van mijn eigen dromen, om in mijn eigen achtertuin zelf ecologisch te telen.

Zondag 1 november [Midden-Delfland]

Vanaf de Abtswoudsedijk loopt achter een boerderij een smal wandelpad het weiland in. Er staat een bosje, een groen kastje vermomd als poldergemaaltje en daarachter begint een kronkelende veendijk. Ik fiets er elke week langs, zie het pad, dat in de mist oplost, ongeacht het tijdstip, ongeacht het jaargetijde, en denk: wat zou daar zijn? Een keer ging ik er bijna in. Maar toen stond er een groot bord en een hek: Verboden toegang. Broedseizoen.
Ik weet zeker dat het nu geen broedseizoen is. Ik heb me laten vertellen dat in november het Scandinavische roodborstje in Nederland komt overwinteren dus dan is het geen tijd om eieren te leggen. We gaan eindelijk het onbekende pad verkennen.
De reden dat ik niet eerder terug ben gegaan, is dat ik 3,5 km moet lopen langs een lange geasfalteerde weg om er te komen. Ik sukkel met mijn veel te zware wandelschoenen, die later in de modder een zegen blijken, over de onbuigzame ondergrond. Toch is het niet saai. Er zitten spreeuwen in het weiland die heen en weer zwermen tussen het natte gras en de herfststormen.
Het dijkje leidt ons de grote weilanden in. Links en rechts is water, een klein meertje met riet, wilgen die door de wind zijn kromgegroeid. In de verte zien we de boerderijen waar we regelmatig langslopen of wandelen vanuit een heel nieuw perspectief. Het ziet er charmant uit zo, een beetje ruig, een beetje romantisch, zoals het vroeger was toen nog niet alle sloten en kavels rechtgetrokken waren.
Ja, daar is een oude eik, een grote statige boom halverwege de route, van verre zichtbaar. Elk oud weiland heeft een oude eik. Ook scheefgegroeid door de wind. We eten een broodje, schuilen voor een bui, maken foto’s, bewonderen de boom. Daarna wordt het modderig en komen we een paar koeien tegen.
Het dijkje komt uit op weer een efficiënt fietspad waar op mooie dagen heel Delft leegloopt. Zelfs nu is het druk. Wat heb ik zin om om te keren en dezelfde weg terug te gaan.

Vrijdag 30 oktober [Schiedam]

Schiedam is niet de plek waar we moeten zijn, maar we zijn er toch. Wachtend op een bericht. De waterdichte zak al vol met een frisgewassen slaapzak. Morgenvroeg hebben we een cursus op een plek waar geen openbaar vervoer komt. We willen vanavond in het donker weggaan en in het wild bivakkeren. Dat mag niet en dat hebben we nooit begrepen. De natuur is ons huis. Simpel buitenslapen is zo oud als de mensheid, maar in Nederland verboden. Dat maakt de kwetsbare natuur kapot. Snelwegen bouwen mag wel. Buitenslapen niet.
Dan een mail: vanwege corona moet de cursus verplaatst worden naar zondag. ‘Dan gaan we morgen,’ zeggen we tegen elkaar. Maar we voelen al aan dat het zondag waarschijnlijk ook niet doorgaat en dat dit een laf excuus wordt om thuis te blijven.

Zondag 25 oktober [Veluwe]

Ons nieuwe goede voornemen is om elke week een nacht buiten te slapen, in een tent of bivakzak. Het is een slim voornemen, zeggen we tegen elkaar, want met buitenslapen worden ook een heleboel andere goede voornemens in gang gezet. Meer bewegen, minder schermtijd, de natuur leren kennen, tijd voor fotografie, meer inspiratie om te schrijven en vaker onze vrienden opzoeken.
Gisteravond zijn we rond schemer de Veluwe op gelopen. Het Nationale Park was zo goed als verlaten, het uitzicht van de top van de stuwwal over het Rijndal zo onnederlands dat we bijna geloofden dat we in de Ardennen waren. Na dertien kilometer lopen kwamen we in het donker op het natuurkampeerterrein aan.
Sinds tijden zijn we weer te voet in plaats van op de fiets. Wandelen heeft ook wat. Op het trage ritme van de natuur en met ons huis op onze rug. Maar we hebben spierpijn, want hier zijn we niet op getraind.
Ik word wakker in een warme winterslaapzak met regen op het tentdak. De vogels gaan aan en uit, afgewisseld door de wind die een nieuwe regenbui meeneemt. Het is zo verschrikkelijk knus in onze tent. Beestenweer buiten, binnen warm en droog, we hoeven niks, we kunnen nergens heen. Ik heb de zeldzame rust om nog een uur te snoezelen.
Als de regen even stopt, kruipen we ons hol uit. Erik maalt bonen voor de koffie. Ik beleg broodjes met kaas. We proppen de natte tent in een waterdichte zak. En dan zwerven we in onstuimig weer over de heide terug. Het avontuur duurde maar 24 uur maar we komen +10 blij thuis.

Zaterdag 24 oktober [Wervershoof]

We toeren op de elektrische fietsen van mijn ouders door de polder. 25 km per uur tegen wind. Dik aangekleed want het is koud als je niet beweegt. We zijn buiten, dat is lekker, maar een inspanning kun je het niet echt noemen.
Erik vraagt zich af hoe snel mensen hun spierkracht en conditie zullen kwijtraken. De afgelopen tweehonderd jaar is de hoeveelheid natuurlijke lichaamsbeweging met de generatie minder geworden. Het leven staat in het teken van comfort en gemak dat zo min mogelijk tijd en geld mag kosten. Je ziet dat ook in de manier waarop huizen worden gebouwd (saai) en aan de spullen die in de winkel liggen (schijnluxe van slechte kwaliteit).
Met opa en oma gaat het goed. Hopelijk brengen we geen corona. Ze zijn zo blij om ons te zien, voor het eerst in een jaar, omdat we eerder niet heen konden/mochten/durfden. Ze hebben gebak gehaald en zitten al klaar voor het raam van hun nieuwe aanleunwoning waar ze na opa’s beroerte heen zijn verhuisd. Opa moest zijn paarden en geiten achterlaten en kan niet meer met zijn bootje tussen de weilanden varen. Nu rijdt hij elke middag met zijn scootmobiel naar de Vlietlanden om naar de schaapskudde te kijken.
Oma geniet van het nieuwe huis. Het is klein en overzichtelijk. Ze mag een nieuwe keuken en badkamer uitzoeken, ook al functioneren die nog prima. Hoe anders was dat vroeger. ‘We hadden niks,’ zegt ze een paar keer. Van oude jurken naaide ze kinderkleren en tot een jaar geleden sliepen ze nog altijd samen in een bed van 1,40 m breed.
‘Het is wel een teken, die corona,’ zegt ze. ‘Dat het niet goed gaat met de wereld.’
‘Wat gaat er niet goed?’ Vraag ik.
‘Hoe mensen met de natuur omgaan. Dat ze steeds meer willen. Maar wij doen er ook aan mee hoor, want nu kan het.’
En zo is het, denk ik. Voor opa en oma is die goedkope schijnluxe – het gemak, het comfort – alles wat ze vroeger moesten ontberen, waar ze tegenop keken, waar ze stiekem van droomden. Ik begrijp het wel maar ik ben het er niet mee eens. Er blijft een ongemakkelijk gevoel hangen.
Bij oma ook. ‘Het is niet goed,’ zegt ze na een korte stilte. ‘Hoe de mensen voor God spelen.’
Ze bedoelt: hoe de mensen zich laten verleiden om vooral hun eigen belang na te jagen en daarbij de wereld naar hun hand zetten. Daar maak ik me ook zorgen om. Als we over de dijk terugrijden denk ik aan al die verschillende generaties. Het is alsof je een verre reis maakt en er achter komt dat mensen een totaal andere belevingswereld kunnen hebben maar in essentie niet zo anders zijn dan jij.

Woensdag 21 oktober [Schiedam]

Arme fiets. Vorig jaar verving ik mijn oude Giant vakantiefiets al voor een Sonder gravelbike, een met dikke banden en een kijk mij eens avontuurlijk zijn-uitstraling. De Giant werd een transportfiets. Ik monteerde een rek op de voorvork en de afgelopen maanden vervoerde ik daarop het groentepakket dat ik iedere week uit Delft haal. Gister reed ik nog naar de bouwmarkt om drie grote opbergboxen te halen. Het is een feest, zo’n fiets waarop je alles zonder moeite mee kunt nemen.
Maar nu moet hij weg. Ik schroef het rek er weer af, stop de zadeltas vol met flesjes kettingolie die ik op mijn andere fiets niet gebruik. Hij gaat naar mijn ouders, die hebben er een bestemming voor. Het is een beetje treurig omdat ik er duizenden kilometers op door Europa heb gefietst. 
Ik kan er alleen niet meer op fietsen. Al zeker vier jaar heb ik toenemende pijn in mijn rug en been die erger wordt als ik op de Giant rijd en minder erg werd nadat ik een nieuwe fiets had gekocht. Ik ben twee jaar van fysio naar sportarts naar bikefitter gegaan en door de MRI-scanner gehaald. En het helpt allemaal niks. Op de Giant fietsen lukt gewoon niet meer.
Ik voel me oud en gebrekkig, de Giant voelt zich verlaten, zo stel ik me voor. Ik heb geen emotionele band met mijn fiets die in wezen niet meer dan een stuk aluminium is, maar verdorie, ik heb er dus wel een emotionele band mee. Ik ben aan dat ding gehecht.

Zondag 18 oktober [Schiedam]

Ik sorteer 516 foto’s van eetbare planten. Dat leek aanvankelijk een takkenklus maar het wordt steeds leuker. Tijdens cursussen de afgelopen drie jaar heb ik heel wat plaatjes verzameld, een naam gegeven en op een schijf geslingerd. Een heb ik ook af laten drukken bij de HEMA. Het idee was dat ik daarmee een soort raadspel zou doen tot ik alle soorten kende. Nooit meer wat mee gedaan. Als ik er doorheen blader, ontdek ik dat ik zeker 60% van de geleerde soorten weer ben vergeten. Knoopkruid. Grote kattenstaart. Zilverschoon. 
Het valt ook niet mee om al die namen te onthouden. Alsof je op een groot feest komt en iedereen moet kennen nadat ze zich één keer hebben voorgesteld. Instructeurs zeggen daarom: leer een paar soorten per keer en herhaal die regelmatig. Maak foto’s, plak post-its in je veldboek, geef de foto’s thuis een naam en zoek de soorten nog een keer op in verschillende bronnen, zoals op wilde-planten.nl, floravannederland.nl, een eetbare plantenboek of een flora. 
Dat helpt, merk ik, maar is niet genoeg. Mensen leren op grofweg twee manieren: intuïtief, zoals je je moedertaal leert, en systematisch, met behulp van logische patronen zoals je wiskunde leert op de middelbare school. In mijn wilde plantengids staan al 1300 soorten waarvan er honderden eetbaar zijn. En die geldt alleen voor Nederland en België. Het is bijna onmogelijk om zoveel soorten op latere leeftijd intuïtief te leren. Dus heb ik een systeem nodig om planten die op elkaar lijken in hokjes te stoppen, bijvoorbeeld omdat ze eenzelfde soort bloem hebben of op dezelfde soort plekken groeien. 
En laat ik daarin nou niet de enige zijn. Systemen voor plantenclassificatie zijn al zo oud als de mens. In het nu meest gangbare systeem worden planten op basis van uiterlijke kenmerken – en in toenemende mate op basis van DNA-onderzoek – in families verdeeld. Als je weet in welke familie een plant hoort, leg je sneller een relatie met vergelijkbare planten en kun je ze beter onthouden. Het is dan alsof er op dat feestje iemand naast je staat die zegt: Anna en Jan horen bij elkaar, Steven, Ron en Peter horen bij elkaar. Al die nieuwe gezichten worden zo minder een brei van individuen en meer logische groepjes. 
Tijdens de wilde planten jaartraining leerde ik daarom alle foto’s in mapjes op familie te sorteren en de wetenschappelijke Latijnse naam te geven, die informatie geeft over het geslacht (je zou het een gezin kunnen noemen) waar de plant binnen de familie bij hoort. Dat was een goede tip maar een hoop werk. Het was zoveel werk dat ik er na twintig planten maar weer mee was gestopt. Maar nu ik vaker buiten ben, wat groenten verbouw en steeds meer soorten ontdek, bloeit mijn interesse op. Uit het mapje ‘Nog Verwerken’ kies ik steeds een paar planten, zoek die op en lees er nog eens wat over. Ik neem er uitgebreid de tijd voor. En dan wordt het dus leuk. Ik ga patronen herkennen: die zal wel bij de rozenfamilie horen, dat is duidelijk een composiet, dat een schermbloem.
Er komt een dag dat al die foto’s op een usb-stick in een donker laatje verdwijnen. Want het zijn geen meesterwerken, alleen geheugensteuntjes. Dan zal ik hun families herkennen en mijn weg weten in het grote plantenboek.

Vrijdag 16 oktober [Schiedam]

De groene peper is een zielig hoopje verschrompelde blaadjes geworden in onze afwezigheid. We waren vergeten een oppas voor de planten te regelen en alles wat binnenstaat is uitgedroogd. De vetplanten kunnen dat wel hebben, maar de groenten en kruiden niet. Ik zet een laag water in de badkuip en stop alles wat te redden lijkt daar in om te drinken.
Op het balkon tieren de planten weelderig alsof de herfst nog niet begonnen is. Er zitten boontjes aan de stamslaboon en de boomspinazie is gegroeid. Wordt die echt een boom? Dat moeten we nog meemaken. Het moestuinexperiment loopt voor dit jaar op zijn einde. Een grote oogst leverde het niet op, want de ruimte is beperkt en we waren op cruciale momenten steeds op vakantie.
Er ligt nog een kast vol met ongebruikte zaadjes die we ineens van iedereen kregen, ook van onbekenden. ‘Hebben jullie een tuin? Ja? Hier, zaadjes.’ Alsof ze het wisten. De laatste aanwinst is een zakje bijenmix uit het vakantiehuisje in Dwingeloo.
Dwingeloo. Het lijkt alweer ver weg. Ik merk dat ik nog omhoog kijk, naar de bomen en de lucht, en niet naar de grond zoals mensen in de stad doen. Wat zag ik er tegenop om terug in Schiedam te zijn. Wat hebben we lopen dromen de afgelopen week om het huis maar vast te verkopen en tijdelijk ergens anders te gaan wonen tot we wat nieuws hebben gebouwd. Maar nu is alles weer goed. Hier in huis, met de planten, de vakantiefoto’s en uitzicht op een grote boom met speelveld is de stad heel ver weg.
Deze winter gaan we paddenstoelen kweken op koffieprut, zoals de jongens van Rotterzwam dat doen, in een plastic emmertje op het aanrecht. Zoveel mogelijk natuur in huis halen. Uitkijken naar een nieuwe plek.

Donderdag 15 oktober [Drachten]

Het wordt een lange reis samen. We zijn niet tussen de bedrijven door getrouwd. We zijn niet doorgegaan met de dingen van de dag, zoals je elke dag al doet. We hebben er ruim twee weken voor uitgetrokken om bewust samen verder te gaan.
De laatste dag van onze trouwbubbel fietsen we terug naar het begin, de bossen van Beetsterzwaag, het gemeentehuis. De cirkel is rond. Hier zijn we na het festijn op de fiets gestapt en hier zijn we na twee weken Noord-Nederland weer terug.
Tien kilometer verderop, bij Eriks ouders, bekijken we de foto’s nog een keer en bladeren we door de cadeaus die alweer wat naar de achtergrond waren geraakt. Van Maaija, de trouwambtenaar, hebben we een Fries kinderboek gekregen. ‘Dat is geen suggestief cadeau’, zei ze er bij met een blik alsof het wél een suggestief cadeau is. Het is een fantastisch boek over een pad die voor een koekoeksjong zorgt dat uit het nest is geknikkerd. Pad probeert Koekoek te leren vliegen maar dat is niet zonder gevaar. Als Pad in een moeilijke situatie terechtkomt, schiet Koekoek in een zuivere daad van liefde te hulp.
‘Ik hâld fan Pod’ (Ik houd van Pad), heet het. Op de tekeningen in het boek staan in totaal 100 beesten (‘bisten’) en achterin staat per beest hoe je die kunt herkennen. Als je het boek uit hebt, heb je niet alleen iets over ware liefde maar ook over 100 beesten geleerd.
Het Fries maakt het allemaal nog wat aandoenlijker. ‘Pod is in frjemde fûgel’, een vreemde vogel. Een lieveheersbeestje is een ‘ingeltsje’ (een engeltje?). Een dambordvlieg een ‘blokbrommer’ omdat ‘er ljochte en donkere blokjes op syn liif hat’. Ons favoriete dier is de ‘stikelbaarch‘. Die heeft stekels en kijkt heel schattig, dat kan niet anders dan de egel zijn.
Boeken, kaarten, foto’s, het buitendagboek en alle gedachten en gevoelens die niet te materialiseren zijn. We hebben herinneringen gewandeld en gefietst die straks de basis van ons leven samen zijn.

Dinsdag 13 oktober [Dwingelderveld]

We slapen in een huisje op loopafstand van het Dwingelderveld. Ons onderkomen is een pothok, een antieke schuur op een door bomen omzoomd erf. Hier brengen we de laatste dagen van onze huwelijksreis in luxe en lome natuurbeleving door.
Tijdens een fietstocht doen we twee bijzondere ontdekkingen. Zoals dat gaat met natuur komen de beste momenten wanneer je wel alert bent maar niets verwacht.
Op een boomstronk groeit een grote sponszwam. Omdat we daar graag wat van in de koekenpan willen stoppen, stappen we af. De zwam is al te taai, maar ernaast kruipt een fluorescerendgroene rups met gele strepen op zijn lijf en kop. Het blijkt een algemeen voorkomend ding, de agaatvlinderrups, maar alles wat je nooit gezien hebt en wat zich in zijn felgroenheid over een bosbodem beweegt is het bewonderen waard. 
Een uur later moet ik plassen. Aan de rand van een groot heideveld ligt een bos en ik waad door kniehoog gras om me achter laaghangende takken te verstoppen. Gek genoeg ben ik al op mijn hoede want in hoog gras verschuilen zich gevaarlijke beesten. Teken, slangen, Siberische tijgers. Op wat hogere bosgrond zoek ik een plek en daar ligt hij ontspannen in de zon. Een adder. De enige giftige slang in Nederland. Nooit gezien, dus ik herken hem niet direct en ben na de initiële schrikreactie vooral gefascineerd. Ik roep Erik om het natuurwonder te aanschouwen en blijf op een veilige afstand staan. De slang is bruin met een zwarte zigzagtekening op zijn rug, opgerold, zijn kop een beetje omhoog want hij weet allang dat ik er ben.
Adders horen niets maar reageren op trillingen. Van de camera lijkt hij niet zo gecharmeerd want als Erik dichterbij komt, glijdt hij de bosjes in. Ik lees later dat deze slangen liever vluchten dan aanvallen. Tenzij ze honger hebben, dan eten ze kleine konijntjes (en vogeltjes en muizen). Veel eetlust hebben ze schijnbaar niet want ze slikken hun prooi met huid en haar door en kunnen dan maanden zonder eten.
We hebben een adder gezien! Het jachtluipaard van het Nederlandse cultuurlandschap. Een met uitsterven bedreigd Rode Lijst-reptiel. Hoe meer we er in ons huisje over lezen, hoe mythischer het wezen wordt. Het Dwingelderveld leek zo tam maar daar trappen we dus niet meer in. 

Maandag 12 oktober [Dwingelderveld]

Het is opvallend stil in het bos. Tien uur ‘s avonds, donker. Meestal zijn er dan wel wat beesten actief. Op het kampeerterrein in Borger hoorden we nog een uil en zagen we reeën. Hier op het Dwingelderveld alleen de ganzen in de Davidsplassen. 
Natuurmonumenten heeft op het Dwingelderveld een nachtwandelroute uitgezet. Ze willen mensen laten ervaren hoe het donker voelt en klinkt. De wegwijzers zijn reflectoren die in het licht van een klein lampje al goed te zien zijn. 
Een bijzondere natuurervaring is het niet echt, maar dat komt waarschijnlijk omdat we verwend zijn met wildkamperen en nachtelijke fietstochten. Vanzelfsprekend gaat de route vlak langs campings en verlichte paden – de plekken waar de beesten toch al verstoord worden en het dus niet zo erg is als er ‘s nachts wat wandelaars voorbij komen.
Het is vooral een leuke speurtocht. Paddenstoelen en berken lichten mooi op. We volgen een heldere ster waar een deel van de route door graafmachines is omgeploegd. Bij de Davidsplassen staan we een tijdje in de mist en naar de sterren te turen. 
We hadden wat eerder moeten gaan, net na zonsondergang. Samen met zonsopkomst het beste natuurmoment van de dag omdat dan het licht en de dieren op hun best zijn.

Zondag 11 oktober [Onderweg door Drenthe]

Wie lange afstanden fietst, rijdt landschappen aan elkaar. Van de hoge, beboste zandgronden en de hoogvenen naar de beken, de polders, de meren en grote rivieren en de kust. Met sporen van voorbije ijstijden en vroege bewoning. Met verschillende stadia van verlanding en subtiele overgangen in vegetatie die aangeven dat de ondergrond, de waterhuishouding, het type beheer of een combinatie daarvan verandert.
Samen lezen we het landschap. Ik kan me geen romantischere huwelijksreis voorstellen.

Zaterdag 10 oktober [Drentsche Aa]

De Drentsche Aa is een bekende, in eer herstelde beek die door drassige velden kronkelt. Daar in de buurt zijn kleinere, misschien wel mooiere beken met helderstromend water, zoals het Oudemolensche diep en Anloërdiep. Diep is een groot woord, maar nat is het wel. Een netwerk van zandwegen ligt hoog en droog en vanaf daar golft het landschap de dalen in.
Langs een van die zandwegen zitten we tegen een hek in het veld. Af en toe komt de zon achter grote stapelwolken tevoorschijn en dan is het warm. Onze natte schoenen en sokken hangen te drogen aan het hek. We eten Drents krentenbrood, drinken water, vozen een beetje. Een grote bruine libelle landt op Eriks voet. Verderop vliegt een roofvogel over de velden. We hebben in tijden niet zo ontspannen buiten gezeten zonder iets te hoeven.
Dit is wat mensen al eeuwenlang op hun vrije dag doen, en dat geeft een zeker gevoel van verbondenheid met de tijd en de omgeving. Een dag is zelden zo simpel geweest. 

Vrijdag 9 oktober [Boswachterij Gieten-Borger]

Op Schiermonnikoog hebben we – vinden we – te veel binnen gezeten. We willen een paar dagen non-stop in de elementen zijn, ook als het af en toe regent, ook nu het niet meer zo warm is.
We zetten onze tent op natuurkampeerterrein Borger. Het staat vol met campers en caravans. We zijn jaloers op de luxe en tegelijkertijd willen we het niet. Het autobezit, de harde wanden en de kosten staan ons tegen. Op een fiets voelen we ons vrijer en beleven we de natuur directer en intenser. Maar nu zijn de elementen koud en onstuimig en laten zich niet makkelijk met ons verenigen. Te veel comfort is funest voor verbinding met de natuur, maar te weinig ook. De balans is subtiel en afhankelijk van het weer en onze stemming.
Binnen zitten met ‘slecht’ weer is vaak niet wat we zoeken. We willen buiten zijn, droog, onder een simpel afdak in warme winterkleren en als het mag met een vuurtje. En dan druppelt na de tiende bui eindelijk de inspiratie binnen: ik heb thuis nog een tarp, een tentzeil van 3×3 meter. Groot genoeg om met z’n tweeën onder te zitten, te slapen en direct tussen de bomen wakker te worden in de geluiden en geuren van het bos. En compact genoeg om op de fiets mee te nemen. 
Nu trotseren we de regen met optimisme. Het grootste deel van de dag is het droog. In het donker maken we nog een paddenstoelenwandeling om warm te blijven. In de bundel van de lamp lichten ze mooi op en zijn ze makkelijk te vinden. Het determineren gaat steeds beter.
Paddenstoelen in het donker:
– Rossige melkzwam (niet lekker): klein bultje in verdiepte, roodbruine hoed, wit melksap.
– Roodbruine slanke amaniet (niet lekker): valt op omdat het lijkt alsof hij doorzichtig is. De lamellen zijn van bovenaf goed te zien aan de rand van de hoed.
– Afgeplatte stuifzwam (jong eetbaar): een lelijke witte blob met melige stekels waarvan er zoveel zijn dat we er bijna over struikelen.
– Gewoon eekhoorntjesbrood (culinair hoogstandje): zijn we steeds naar op zoek maar we vinden alleen oudere exemplaren.
– Kleverig koraalzwammetje (niet lekker): kleurt het bemoste, dode naaldhout intens geeloranje.
Voor de tent vinden we de volgende ochtend nog:
– Kastanjeboleet (eetbaar): vruchtvlees verkleurt blauw als je het indrukt.
– Parelamaniet (eetbaar): lijkt in onze ogen op de vliegenzwam – de rode paddenstoel met witte stippen – maar dan bruin. Ik zou hem niet zo snel eten, er zijn giftige soorten die er op lijken.

Donderdag 8 oktober [Houwerzijl]

Op een onwaarschijnlijke plek in de Noord-Groningse leegte staat De Theefabriek. Het is niet echt een fabriek maar een verzamelplaats voor theefanaten. In een oud, sfeervol kerkgebouw zijn een museum, winkel en theeschenkerij geïnstalleerd. Daar worden ruim 300 theesoorten en melanges geschonken. Meer keus is niet altijd beter, maar hier wel. Want vriendelijke en enthousiaste mensen willen ons van alles laten proeven en helpen om de specifieke smaak te vinden die we zoeken.
We brengen er twee uur door. Dat is niet alleen omdat het leuk is maar ook omdat het beestenweer is. Het is lang geleden dat ik in zoveel treurige regen heb gefietst. Nadat we nat en daardoor half onderkoeld op een vertraagde boot van Schiermonnikoog hebben gewacht, fietsen we door onophoudelijke miezer. Toch is het een mooie dag. De kale Groningse polders liggen er in dit weer nog Groningser bij. Grijs en desolaat.
In de theewinkel zoeken we naar de romige, zachte groene thee die we wel eens bij de toko kopen maar waarvan we geen goede biologische variant kunnen vinden. De verkoopster belt voor ons de lokale theekenner, die zijn huis aan het verbouwen is maar ons wel even te woord wil staan. Hij raadt Jade Oolong aan en vanuit de theeschenkerij komt een kop onze kant op zodat we kunnen proeven. Ja, die lijkt er wel op.
Tijdens het proeven wijs ik en passant nog een theepot aan die ik voor mijn verjaardag wil. Ik hoop dat Erik heeft opgelet.

Woensdag 7 oktober [Schiermonnikoog]

De grote kwelder van Schiermonnikoog trekt, zoals in onze ogen wilde, schijnbaar eindeloze en lege gebieden dat neigen te doen. Veel mensen zullen het instinct herkennen om te willen weten wat daar is, paden te maken, te verkennen, te verdwijnen en als een nieuw mens weer terug te komen. Deze kwelder is ontoegankelijk voor fietsers, er zijn geen bankjes, geen hekjes, geen bordjes. Alleen hier een daar een paar planken over een geul en modderige paden. 
We gaan weer los op de planten. Er is veel variatie omdat hoog en zanderig snel wordt afgewisseld door nat en kleiig. Hoog: grassen, zulte, zeeweegbree, vlasbekje en grasmuur. Vochtig: akkermelkdistel, reukloze kamille en goudknopje. Laag en nat: zeekraal (rood), lamsoor en spiesmelde.  
En dan, als we na een uur lopen denken dat we verdwaald zijn toch een bord: ga rechtdoor voor het einde van het eiland en linksaf voor het strand.
Daar herken ik een volgende neiging, om naar het baken te lopen dat de oostelijke grens van het eiland markeert. We zien hem al in de verte maar om er te komen is het minstens nog eens de afstand lopen die we al afgelegd hebben. Het is verleidelijk om de planten de planten te laten, niet meer echt te kijken, maar te lopen, lopen, lopen naar die lonkende eindbestemming zoals je naar een bergtop gaat. Dan bedenken we dat het ons daar niet om te doen was, en dat we liever de overgang kwelder-duin-strand maken om nog eens het landschap op korte afstand te zien veranderen.
Op het strand ploeteren we in een soort helse tegenwind vier kilometer terug. Donkere wolken storten een snijdende, horizontale regen over ons uit. Erik raapt een aangespoelde kwal op, een zeepaddenstoel, die niet steekt omdat hij geen netelcellen heeft. Strandlopers prikken hyperactief in de droogvallende zeebodem op zoek naar eten. En de vloedlijn ligt bezaaid met skeletjes van de zeeklit, een zee-egel die in het zand leeft.
Koud en nat komen we aan bij een van de weinige strandtenten van het eiland, waar we de kaart uitspelen en twee uur later vol en slaperig van de warmte weer naar buiten komen.

Dinsdag 6 oktober [Schiermonnikoog]

We zijn moe van het fietsen en het trouwen. Op een kampeerboerderij aan de rand van het duingebied hebben we een kamertje geboekt en we slapen uit tot de zon ons naar buiten trekt. Aan de lucht zijn woeste wolken waar later op de dag regen uit zal vallen.
De doorsteek van polder naar duingebied is zompig. Er groeit pitrus en watermunt, net als in de polder bij ons thuis. Als we het wandelpad bereikt hebben, staat daar een ANWB-paddenstoel: naar de bunker of naar het strand? Erik vertrouwt de bunker niet dus we kiezen voor het strand.
Op een boom langs het pad groeien bruine zwammen die eruitzien alsof iemand een stuk kraakbeen op een stam heeft geplakt. Ik zet er een foto van op Facebook, en een van mijn facebookvrienden vertelt ons dat het judasoor is. 
In de natte duinvalleien groeit van alles dat we niet direct herkennen. Met behulp van een boek in het bezoekerscentrum lukt het om een paar soorten op naam te brengen: Parnassia, met fijne witte bloempjes, en zeeraket die met zijn taaie stengels uit het schrale zand steekt. Planten en paddenstoelen determineren was niet ons doel, we wilden gewoon een stukje wandelen en wat van het eiland zien. Maar we kunnen het niet laten. Soms is het fijn om in de weidsheid (/wijsheid) van een landschap te zijn en je mee te laten voeren door het mysterie. Soms is het inspirerender om de details te onderzoeken. Omdat het grote paddenstoelenboek nog thuis ligt, kopen we hier een kleinere veldgids en een zoekkaart met kustplanten. Met de PictureThis-app voor het identificeren van planten komen we zo een heel eind. 
In de avond, nadat we stukken hartige taart in de magnetron hebben opgewarmd, neemt het mysterie het weer over. De grote kwelder aan de oostkant van het eiland laat in het laatste zonlicht zijn warme herfstkleuren zien. We klimmen de Kobbeduinen op en kijken hoe de wereld langzaam zwartgrijsblauw met lichtjes wordt. Dit is, zeggen ze, de donkerste plek van Nederland. Maar een groot licht aan de andere kant van het eiland trekt: de vuurtoren. We fietsen er door de duinen heen en als we er pal onder staan zien we dat de lichtbundel als de wieken van een molen zijn, maar dan horizontaal. Tussen de lichtbanen door wordt de lucht steeds zwarter en als de regenwolken wegtrekken, lichten ook de sterren op. Erik maakt foto’s. Uit de verte komt een hoop kabaal met felle zaklampen. Een klas schoolkinderen, Behalve zij komt er niemand naar de vuurtoren kijken. Tien minuten later zijn we weer alleen.

Maandag 5 oktober [Noord-Groningen]

De huwelijksreis gaat naar Drenthe, Friesland en Groningen. Door de uitgestrekte polders van Noord-Groningen fietsen we naar Lauwersoog, waar we de laatste boot naar Schiermonnikoog zullen nemen. 
Het is verbazingwekkend afwisselend. Het landschap is een tekening van historie waar natuur en ontginning elkaar steeds doorkruisen. Ooit was dit een drassige kwelder waar de zee vrij spel had. De vormen van oude kreken kronkelen nog door grootschalige akkers, hier en daar liggen droge dijken die nu Middeleeuwse relicten of moderne compartimenteringswerken zijn. De dorpen staan op uitgebreide terpen (hier wierden genoemd) van soms wel zeven meter boven zeeniveau, gecentreerd rond hoekige kerkjes. Het land is niet vlak en niet recht, zoals ik van Noord-Groningen dacht. 

Zondag 4 oktober [Norg]

Vriend Rowan heeft bij zijn natuurhuisje een moestuin aangelegd. Hij laat zien hoe hij door ecologisch tuinieren de schrale Drentse zandgrond weer vruchtbaar maakt. Het is een project waar hij al jaren mee bezig is. In een van de moestuinbedden ligt een stapel dood, nat hout. Dit jaar kon hij op de vermolmde resten voor het eerst peultjes zaaien. Paddenstoelen komen spontaan op. In een tweede bed groeien verschillende groenten en kruiden, waarvan de meeste door vogels en herten weer worden opgegeten. Rowan vindt het niet erg. Het is meer zijn biodiversiteitstrots en experiment dan een productietuin.
‘s Middags maken de vrienden aanstalten om te vertrekken en dan zijn we voor het eerst sinds de bruiloft weer alleen. We omarmen de stilte en elkaar, stoken de houtkachel op en delen wat trouwfoto’s met de rest van de wereld. Het wordt steeds echter: we zijn getrouwd. We gaan morgen weer samen de wereld in.

Zaterdag 3 oktober [Norg]

Na de trouwceremonie hebben we 30 km over bospaden en door velden gefietst. In het donker kwamen we bij De Schuilplaats aan, een natuurhuisje op de hei van vriend Rowan. Met een kleine groep blijven we hier het hele weekend.
Er hoeft ineens niets meer dan slapen, planten kijken, paddenstoelen plukken en boeken lezen. Twee vrienden trekken het bos in en zijn twee uur weg. Als ze terugkomen, hebben ze sponszwam, amethistzwam en kastanjeboleet mee voor het avondeten. Een ander koppel haalt pasta, room en kruiden bij de supermarkt. De kastanjeboleten blijken van binnen aangevreten, maar de rest gaat schoongemaakt de pan in.
Ik zit met een boek op de bank dat we cadeau hebben gekregen. Een dikke handleiding voor zelfvoorzienend leven. De fotografe brengt ondertussen de duizenden foto’s terug tot een overzichtelijke selectie van 300 stuks. ‘s Avonds beleven we de bruiloft nog een keer opnieuw, nu door de ogen van de gasten. Het zonovergoten bruidspaar, de trouwrups, de schermbloemen in mijn grote veldboeket, de tranen tijdens de ceremonie. En weer komt die realisatie: we zijn echt getrouwd.

Vrijdag 2 oktober [Beetsterzwaag]

Vandaag is onze bruiloft. We staan in een bundel zonlicht in het bos in Beetsterzwaag. Ik in een witkatoenen jurk met leren laarzen en een groenwollen omslagdoek om me warm te houden, Erik in een mosbruine broek en donkerblauw overhemd. We zijn vergeten om naar de kapper te gaan en we zijn moe van een paar nachten slaaptekort, maar het geeft niet. We stralen, we zijn zelden zo blij geweest.
Het is, blijkt later, de laatste warme dag van het jaar. De herfst is begonnen, een lange onstuimige overgangsperiode van zomer naar winter en ons favoriete seizoen. Onze ouders staan verderop in het bos met een mand broodjes en thermoskannen drinken. De vrienden druppelen een voor een binnen vanaf de parkeerplaats. Ik ben al een half jaar zenuwachtig. Eerst moesten we de bruiloft verplaatsen vanwege corona, nu kon het geplande kampeerweekend na de ceremonie niet doorgaan vanwege de nieuwe regels voor maximale groepsgrootte. Het nieuwe programma is een uitgebreide boswandeling, een onverharde fietstocht en een kampeerweekend met een kleiner gezelschap.
Eenmaal in het bos valt alle spanning weg. Met 23 man maken we een wandeling naar het gemeentehuis. Alles kleurt herfst. Dieprood, diepgroen, diepgeel. De paddenstoelen komen uit de zompige bosbodem tevoorschijn. Het mos dampt nog van de regen. Op een beuk in een van de lange lanen zit een harige, felgroene rups. Gister zagen we er ook al zo een, toen we de route gingen proeflopen. Een vriend laat een foto zien van de onbeduidende bruine nachtvlinder waarin hij straks verandert. We noemen hem trouwrups.
Het gemeentehuis ligt aan de rand van het bos. Nog nooit – zegt de bode – is er iemand lopend aangekomen. Normaal staan de gasten in een halve cirkel op de oprijlaan om de limousine/rolls royce/e.d. met het bruidspaar te ontvangen. Ze zien dan voor het eerst de bruid, wat een verschrikkelijk zenuwachtig moment is. Wij hebben ons zenuwachtige moment al achter de rug en gaan redelijk ontspannen de ceremonie in.
Het is bijzonder, magischer dan ik me had kunnen voorstellen. Romantischer dan ik van een gemeentehuis had verwacht. Maaija, de trouwambtenaar, geeft een persoonlijke toespraak. Het is alsof ze ons al jaren kent. Een vriend speelt gitaar, ik speel gitaar. We zeggen warme woorden tegen elkaar over onze liefde en ons samen-buitenleven. Er zijn veel blije tranen, dan het jawoord en de houten ringen die we hebben laten maken en al een tijdje dragen. Want vanaf het eerste moment waren we man en vrouw.
De zon blijft voor ons schijnen als we terugwandelen door het bos. High van alle emoties stappen we op de fiets. Maar we blijven de hele dag in een soort droom. Was dit echt? Voelt het leven nu anders? Ja, toch wel. We zijn nu echt getrouwd, voor altijd samen. Onderweg op de langste reis.

Dinsdag 29 september [Op de fiets]

Ik kan niet meer normaal door de natuur lopen of fietsen zonder steeds stil te staan. Laatst reden we een mountainbikeroute – met zadeltas en stuurtas, langzaam, tot ergernis van de echte mountainbikers – toen we een bekende paddenstoel zagen. Inktzwam. Een witte hoed met schubben die lelijk slijmerig kan worden, zwart als olie. Als je met je vinger over de onderkant strijkt is het alsof je met een pot inkt hebt geknoeid. Vandaar dus die naam. Het jonge exemplaar is eetbaar, het oude is weerzinwekkend. ‘Een kale steel in een plasje drab’, volgens de Wildplukwiki, en dat is een rake omschrijving.
Als ik een fototoestel mee heb of een plantenboek kan ik gerust een uur stilstaan. Tot een jaar geleden vond ik dat nog irritant. Bij excursies verveelde ik me. Discussies over of het soort X of Z was vond ik vermoeiend. Al dat geneuzel over stengelvorm en vluchtpatroon en zaadlobben. Het deed afbreuk aan de natuurervaring. Ik wilde simpelweg in de natuur zijn en gevangen worden door het mysterie en het niet-weten. Ik wilde ongecensureerd observeren. Zonder dat continue hokjesdenken en gedetermineer van de rationele westerse geest: dit is een plant, dit is een dier, en alleen wat een naam heeft mag bestaan. Ik wilde geen natuurconsument zijn.
Langzaam ontdekte ik dat ik wel een natuurconsument ben. Ik wilde eetbare planten leren, paddenstoelen herkennen, navigeren op het landschap. Ik studeerde nota bene Aardwetenschappen, dat was ik even vergeten. Om planten te leren, zette ik ze op de foto. En om dat goed te kunnen doen, moest ik steeds beter kijken. Hoe beter ik keek, hoe meer ik zag. Een hommel in een bloemkelk, kikkers aan de rand van de sloot.
Afgelopen zomer in de Alpen lagen onze fietsen vaak stil tegen een bergwand. Langs een rivier op 2000 meter hoogte stond een vergeeld informatiepaneel: hier zwemmen forellen. En warempel, ze waren er echt, al moesten we een halfuur geduld hebben. Ik had nog nooit een forel gezien. Aan de andere kant van de top, weer op 2000 meter hoogte, lag een schijnbaar levenloos meertje langs de gravelweg. Kraakhelder water. Toen we op onze hurken aan de oever gingen zitten zagen we een hele school salamanders.
Zo leer ik steeds meer herkennen. En niet alleen de naam van een soort maar ook hoe hij leeft, groeit en in het landschap thuishoort. Tot mijn verbazing neemt mijn ontzag voor en beleving van de natuur alleen maar toe. In The Living Mountain schrijft Nan Shepherd: ‘Hoe meer men leert over het complexe samenspel van bodem, hoogte, weer, en het levende weefsel van planten en insecten (…) hoe meer het mysterie zich verdiept. Kennis verdrijft het mysterie niet.’
Het niet-weten en weten, begrijp ik nu, sluiten elkaar niet uit. Het mysterie zit in beide, maar alleen als je er de tijd voor neemt.

Vrijdag 25 september [Schiedam]

Mijn lange ochtendwandeling is het enige droge moment van de dag. Als ik een paar uur later naar het postkantoor loop barst de regen los. De rest van de dag zit ik binnen te schrijven. De natuurlijke wereld leren navigeren, staat op een groot vel papier dat naast me ligt, daar draait alles om. Alles om dichter bij de grond te komen, die natuur is en essentie en leven.
Bij mij wil het vandaag niet zo met de essentie. Uiteindelijk begin ik aan wat praktischere blog over composteren. De wind blaast horizontale regen door de brievenbus naar binnen. De galerij is een rivier geworden. En als ook het schrijven niet meer lukt, maak ik de badkamer schoon om de tijd te doden. Dat moest weer eens na een maand of twee.
Maar eigenlijk moet ik naar buiten. Het is de eerste storm van de herfst, realiseer ik me ineens. Eindelijk trek ik mijn jas en wandelschoenen aan – niet die nieuwe, dat is zonde van de wax. Pas als ik door de wijk loop, voel ik hoe hard het tekeer gaat. Binnen vijf minuten ben ik doorweekt. Het water is door mijn waterdichte jas geslagen en loopt langs mijn ruggengraat. Binnen vijf minuten. Dat was niet overdreven. Ik geloof het zelf ook niet.
Dan krijg ik het direct koud. Met mijn handen in mijn natte broekzakken loop ik tegen de wind in terug. Wat in mijn hoofd een meditatieve avondwandeling zou worden, is een verkleumd blokje om.
De natuurlijke wereld navigeren, hoe doe je dat in deze regen? Schuilen, wachten tot de storm gaat liggen. Accepteren dat het nu herfst is.

Dinsdag 22 september [Op de snelweg]

We zitten in een huurauto van de Nederlandse Spoorwegen. Een kleine rode ‘Greenwheels’ die ons naar een wat lastig te bereiken plek in Brabant moet brengen. ‘Wen er maar niet aan,’ zegt Erik. Hij stuurt, want ik heb daar geen papieren voor. Het is de derde keer dit jaar dat ik in een auto zit en dat vind ik wel een aardige frequentie.
De snelwegen ken ik dus ook niet. Tussen Rotterdam en Dordrecht scheuren de gekleurde blikjes in vier rijen over elkaar heen met een ingenieus bruggensysteem. Dan staat er een groot bord: Nationaal Park De Biesbosch. Waar dan? Ergens daar, wijst Erik, maar er is niks te zien. Naar het oosten toe wordt de weg smaller, het asfalt minder glimmend en de gemiddelde snelheid lager. Ik zit half omgedraaid in mijn stoel om naar de vrachtwagens te kijken die we inhalen.
Een dikke mistbank pakt de Mac/La Place/Texaco in. Ik ben niet principieel tegen auto’s want soms is het een handig vervoersmiddel. Maar mensen weten er op ingenieuze wijze misbruik van te maken. Als statusobject, uit luiheid, maar vooral uit een gebrek aan fantasie. ‘Ik kan echt niet zonder,’ zeggen ze, en dat is natuurlijk niet waar. Het resultaat is meer asfalt en postzegelnatuur. Hier een snipper, daar een snipper. Wat leuk, we rijden langs een Nationaal Park, maar eigenlijk geeft niemand er wat om.
Hoeveel mensen zouden al seks in deze auto hebben gehad? Vraag ik me af. Eigenlijk was dat het eerste dat ik me afvroeg toen we instapten en Erik nog druk was met de sleutels en de tankpas en de afstelling van de bestuurdersstoel. Hij vindt het een rare vraag, had er geen seconde bij stilgestaan. 
Maar dat doen auto’s dus met me. Ik word er een ander mens van. Op de terugweg heb ik honger. Wat moeten we nu? We hebben geen tijd om ergens te parkeren. En voor ik het weet droom ik van de FEBO drive. Ik zou snel dik en lelijk worden als ik een auto zou hebben. Waarschijnlijk ook depressief. De snelweg is een plek waar mensen elk contact met de omgeving verliezen. De auto een rijdend tweede huis – klimaatgecontroleerd, volledig doorgeslagen in onnodige luxe – waarin er van je menselijkheid weinig overblijft. Hoe overleef je dat?
Daarvoor zijn natuurlijk die Nationale Park-borden, als lichtende bakens in een donkere tunnel: let op, hier is nog leven. Het is vlakbij.

Zondag 20 september [Schiedam]

Om bij de brandnetels te komen moet ik de snelweg oversteken. Tussen Schiedam en Vlaardingen ligt de verdiepte A4 en vanaf daar loopt al vrij snel een pad naar de sloot waar we gister waren.
Ik voel me altijd een beetje ongemakkelijk als ik ga wildplukken en daarom doe ik het zelden. Los daarvan weet ik nooit wat ik moet maken. Ik houd niet van koken. Maar vandaag is dat anders, ik ben geïnspireerd door het Nettle Cookbook. 
Brandnetels zijn zo makkelijk te krijgen dat het me toch een keer moet lukken om daarmee een serieus wildplukgerecht te maken. Het is één van de weinige wilde planten die je in grote hoeveelheden kunt eten. Veel andere zijn te rijk aan specifieke plantenstoffen die in kleine hoeveelheden wel gezond maar in grote hoeveelheden schadelijk voor ons zijn.
In het Nettle Cookbook staat dat het verspilling is om brandnetels niet te eten. In voorbije tijden, toen het winterdieet nog karig was, werden ze gebruikt als reinigende lentetonic. ‘Packed with vitamins and minerals’. De oudst geregistreerde maaltijd in de UK, ruim 8.000 jaar geleden, was brandnetelpuddingwhatever that may be. En tot de 16e eeuw was het een van de hoofdingrediënten van bier, later verdrongen door hop. De vezels van brandnetel werden gebruikt om touw te draaien. Dat het geen dom onkruid is bewijst ook de rest van de dierenwereld. In het kookboek staat dat zo’n 100 insectensoorten van de brandnetel profiteren en dat de zaden door vogels worden gegeten.
Hun manco is dat ze er niet zo uitnodigend uitzien. Met een mengeling van fascinatie en lichte weerzin pluk ik een bakje vol. Genoeg voor de tomatensaus die Erik later maakt en het spannendste recept uit het boek: Haggis. Ik denk daarbij aan Schotten in kilts en varkensdarmen met ingewandenvlees. 
Niet in dit geval. Alle ingrediënten zijn plantaardig: sjalot | knoflook| aubergine | brandnetel (30 frisse jonge topjes) | havermout | olijfolie | peper | salie | tijm. Alles in fijne stukjes gehakseld, samengebonden in een katoenen zak en een uur gekookt in water. Ik kan me niet voorstellen dat het lekker is, maar de kruiden zullen wel hun magie doen. 
Erik helpt met blancheren, sauteren en alle andere culinaire handelingen die ik niet thuis kan brengen. De brandnetels verdwijnen in een grote massa eten. Om gas te besparen laten we de haggis niet een uur doorkoken maar zetten we de pan twee uur in de hooimadam.  
We twijfelen wat we er nou van vinden. Het smaakt naar oertijd. Een beetje flauw, zwaar op de maag. De brandnetels proeven we niet. De sfeer wel.

Zaterdag 19 september [Midden-Delfland]

De polder is warm van de namiddagzon. We waren vanochtend lui en moe. Met moeite hebben we onszelf naar buiten geschopt voor een groot rondje door de weilanden. Alles is hier keurig aangeharkt. Wandelpad en fietspad zijn gescheiden en daartussen is een stuk gras afgezet waar de schaapskudde graast. Over het water liggen bruggetjes met antisliplaag.
Een grote kikker aan de rand van de sloot trekt Eriks aandacht. We gaan van het pad af en struinen langs de net gemaaide slootkant. Het is helder, ondiep met een dikke baggerlaag. Ik weet niets van een sloot, niet welke soorten er leven en wat er wel en niet thuishoort. Erik weet meer. Hij is hydroloog. Hij heeft urenlang met zijn duikuitrusting in sloten gelegen om het onderwaterleven te fotograferen. Een van zijn foto’s van een kikker heeft tachtig keer uitvergroot onder een ophaalbrug in Groningen gehangen.
Erik wijst me op pijlkruid dat in bloei staat, met grote witte bloemen. De bladeren zijn pijlen die in beken stroomafwaarts wijzen. En wat ik dacht te herkennen als gele plomp blijkt watergentiaan, veel kleiner en met een heel andere bloem. Wat ik instinctief wel herken is watermunt. Het blad is vrijwel hetzelfde als dat van de munt in onze tuin, pas daarna zie ik de typerende paarse bloem.
Langs de slootkant groeit pitrus, zoveel dat je er bijna over struikelt. Natuurbeheerders houden er niet zo van. Maar Erik vertelt een verhaal uit het Veenweide Innovatiecentrum waar hij eerder deze week op bezoek was. Pitrus groeit langs afkalvende weilanden. Waar de slootkant niet onderhouden wordt zal die in eerste instantie verder afbrokkelen, maar op een gegeven moment zet de rus het herstel in. De plant houdt grond vast en zorgt zo voor een natuurlijke beschoeiing. Dan weet ik eindelijk iets dat Erik niet weet. De pitrus wordt volgens Britse bronnen al tweeduizend jaar door de mens gebruikt, niet voor slootkantbeheer maar – de naam zegt het al – als lont (pit) in lampen. De harde schil wordt eraf gepeld en wat overblijft is een zachte, witte kern die olie opzuigt en goed brandbaar is.
Waar gemaaid is schieten de jonge brandnetels uit de grond. Boeien, zou je denken. Behalve wanneer je net het Nettle Cookbook (recipes for foragers and foodies) hebt gekocht. Brandnetels zijn ‘al vele eeuwen gewaardeerd lentevoedsel’, volgens de beschrijving op de achterkant. Dat is balen, want het is nog lang geen lente. Het boek lag daarom al op de stapel ‘nog een keertje lezen’. Maar nu kan het weer uit de kast. Morgen ga ik terug om te oogsten en voor het eerst in mijn leven een serieus gerecht met brandnetel te maken.      


Achtergrondartikelen en reisverhalen staan onder de tabs:
Reis Licht | Leef Buiten | Zoek het Mysterie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑