Systematisch eetbare planten leren

Met het aflopen van de zomer eindigde ook mijn jaartraining eetbare planten. Het is eindelijk gelukt om een degelijke en systematische plantenbasis te leggen. Ik probeer het al tien jaar, met hier een daar een wildplukwandeling en een beetje bladeren in boeken. Maar ik kwam steeds niet verder dan brandnetels en bramen. In februari, toen ik alleen en eenzaam in verschillende hotels in Finland zat, besloot ik: dit jaar gaat het er van komen. Ik schreef me ter plekke voor drie cursussen in. 12 lessen ‘eetbare wilde planten’ in Brabant, inclusief huiswerk en zelfstudie, 4 lessen ‘oogsten uit de natuur’ op de Veluwe en een weekend oerkoken op de Utrechtse heuvelrug. Zodat ik er niet meer onderuit kon. Ik had een missie.

Herhaling en structuur

Het werkte. Ik ontdekte wat er eerder mis was gegaan: herhaling, structuur en detail. In een wildplukwandeling – hoe goed ze ook zijn – leer je in het beste geval 10 en in het slechtste geval 50 planten. De instructeur wijst aan wat hij of zij tegenkomt, noemt een paar kenmerken, vertelt hoe je de plant kunt gebruiken, los van de structuur van plantenfamilies en inhoudsstoffen. Dat is hoe je als kind leerde, en hoe men het in de oertijd deed. Maar als je al in de twintig bent en nooit echt intuïtief iets van planten geleerd hebt, werkt dat gebrek aan structuur niet. Ik bedoel, voor mij werkt een gebrek aan structuur niet.

Plantenfamilies

In de 12-lessencursus in Brabant behandelden we elke week een plantenfamilie. Alle planten uit een plantenfamilie lijken op elkaar, dus als je er een paar kent, kun je de anderen vrij eenvoudig determineren. En alle planten uit een familie hebben vergelijkbare inhoudsstoffen, zoals looizuur, etherische oliën en bitterstoffen. Die zeggen iets over de eetbaarheid, zodat je, zonder elke afzonderlijke plant uit je hoofd te hoeven leren, kunt beredeneren hoeveel je van een bepaalde plant kunt eten en welke je beter kunt laten staan.

Twaalf lessen geeft ook een hoop tijd om écht naar een plant te leren kijken. Geen soort is hetzelfde – het zijn niet voor niets afzonderlijke soorten – maar je kunt ze soms alleen onderscheiden als je op de details let. Haartjes op de stengel, het aantal bloemblaadjes, vertakkingen, de geur van de wortel.

Paddenstoelen zijn minder ingewikkeld dan het lijkt

In de 4-lessencursus op de Veluwe werd alles wat ik in Brabant leerde herhaald, waardoor er steeds meer bleef hangen. Ik moet eerlijk zeggen dat twee cursussen een beetje teveel was, dat ik snel verzadigd raakte en er soms maar half bij was. Al schoot de leercurve de laatste les omhoog toen we ons aan de paddenstoelen waagden. Ik vond paddenstoelen altijd onnodig ingewikkeld. In de bushcraft- en survivalwereld leer je dat je ze moet laten staan, want er zitten weinig calorieën in en de kans dat je jezelf vergiftigt is groot. Maar nu zag ik dat paddenstoelen net als planten zijn, en dat je snel soorten gaat herkennen als je goed leert kijken.

Er zijn er een paar paddenstoelen die lekker zijn, makkelijk te determineren en die geen giftige soortgenoten hebben waarmee je ze kunt verwarren. Als je die paar paddenstoelen weet, heb je al een solide basis.

Op tafel: amethistzwam (de paarse), sponszwam en kastanjeboleet

Survivalvoedsel

In een goede plantencursus leer je dat je niet alle planten in grote hoeveelheden kunt eten. Vroeger deden mensen dat misschien, maar toen werden de meesten ook niet ouder dan 60. Er zijn bijvoorbeeld plantenstoffen die zich opslaan in je lever en die je niet meer afbreekt. Dit is niet acuut dodelijk maar zorgt op de lange termijn voor vergiftiging. Andere planten kun je prima eten en hebben niet dat stapelende effect, alleen moet je er niet teveel in één keer eten. We leerden onderscheid maken tussen groenten, smaakmakers en medicinale planten.

In de laatste Brabant-les probeerden we gebruik te maken van waar je in de herfst over struikelt: kilo’s eikeltjes. Het was een experiment. Eikeltjes zijn wrang, ze zitten vol met looizuur, en dat maakt ze ongezond om zomaar te eten. Het looizuur kun je er in theorie uitspoelen. Dat is een flinke klus, maar dan heb je wel iets dat je normaal niet zonder moeite uit de natuur haalt: eiwitten en een beetje vetten.

We probeerden verschillende manieren om ze schoon te spoelen, maar echt succesvol was het niet. Zodra we de eikels kookten, kwamen er weer looistoffen vrij. De smaak bleef wrang. Als je de eikeltjes tot gruis vermaalt en roostert, ben je die wrange smaak kwijt. Het lijkt dan alsof de looizuren eruit zijn, en je kunt er ongetwijfeld lekkere koekjes van bakken, maar we waren niet overtuigd. Later hoorde ik dat eikeltjes vroeger in Nederland alleen gegeten werden in tijden van nood, en zo kwamen ze op mijn mentale lijstje van speciale planten: survivalvoedsel.

In een survivalsituatie eet je alles dat niet acuut giftig is – alles om op dat moment in leven te blijven.

Eindeloze studie

Met een plantenstudie kun je een heel leven vullen. Waarmee ik wil zeggen dat ik nog lang niet klaar ben. Bepaalde typen paddenstoelen groeien vaak bij bepaalde typen bomen, dus nu wil ik bomen leren. Ik weet nog niks van struiken, en weinig van bessen, noten en wortels. En de interesse in écht calorierijk voedsel wordt steeds groter nu ik er achter kom dat je wilde planten maar in beperkte hoeveelheden kunt eten. Ik wil me in zeevoedsel verdiepen, zoals wieren, mossels en vis.

Mijn favoriete plantencursussen

Mijn favoriete boeken

  • Eetbare Wilde Planten: 200 soorten herkennen en gebruiken – Steffen Guido Fleischhauer, Jürgen Guthmann, Roland Spiegelberger (Schildpad Boeken)
  • Wilde Planten van de Benelux, een veldgids – Ruud van der Meijden, Maarten Strack van Schijndel, Fabienne van Rossum (Uitgave van Agentschap Plantentuin Meise België)
  • Wildplukcompendium: de complete flora van de Lage Landen – Marion de Kort

5 reacties op “Systematisch eetbare planten leren”

  1. Leuk verhaal en ik vind dat je goed bezig bent. Complimenten van je oude juf.

  2. […] Er zijn grofweg twee manieren om aan wildernisvoedsel te komen: jagen en verzamelen. Ik had al eens een poging gedaan om pissebedden en mieren te eten. Veel eiwitten en suikers, heel aantrekkelijk. Ik leerde vallen en strikken maken, visnetten knopen en stond tijdens een survivaltraining een kip te slachten. Maar dieren doodmaken, hoe klein ze ook zijn en ondanks dat ik geen vegetariër ben, is steeds weer een traumatische ervaring. Ik kan het wel, vooral als ik honger heb, maar ik ben er niet geschikt voor, zoals andere mensen niet geschikt zijn om – ik zeg maar wat – op een podium te staan of kinderen op te voeden. Dus ik dacht: tot ik een reisgenoot vind die dat wel kan, neem ik de eetbare planten voor mijn rekening. En om die planten in mijn systeem te krijgen, schreef ik me in voor een jaartraining eetbare planten. […]