Zondagochtend om 07:15 raakten mijn voeten de verse sneeuw, en meteen waande ik me weer in Zweden. Ik wandelde met de striemende vlokken in mijn gezicht door onze stille straten naar het bos. Auto’s reden trager of niet. Het plasticafval was de dag ervoor niet opgehaald. De bijna volle maan lichtte door het wolkendek heen de paden op en ik voelde dat wildenthousiaste naar boven komen dat sneeuw altijd nijgt te doen.
Het heeft iets ontregelends en stils. Iets dat een beetje diepte naar de oppervlakte van het dagelijkse leven brengt. Iets dat het normale leven bedekt terwijl het de waanzin van onze maatschappij op scherp zet: efficiëntie, haast, het slaapwandelend door het leven kunnen gaan. Daarom ben ik zo gek op sneeuw.
Jaap Voigt schrijf in Leven & werken in het ritme van de seizoenen over de winter – de nacht van het jaar – de kleine dood waarin je je krachten opnieuw opbouwt: “Uiterlijk is er rust, innerlijk is er groei.” Sneeuw dwingt, nog meer dan de met activiteiten en griep overladen kerstvakantie die wij net achter de rug hebben, tot rust – dus tot groei.
Het is interessant om naar mensen te kijken die sneeuw haten, vooral als je dat zelf bent. Wat wordt er ontregeld? Wat staat er stil? Waarom heb je daar zo’n hekel aan?
Ikzelf ben geen schoolvoorbeeld van iemand die goed tegen ontregeling kan. Als ik ziek ben, verzet ik me. Als Heike ’s nachts wakker wordt, verzet ik me. Als mijn werk niet loopt, ga ik harder werken. Maar sneeuw is anders. Het raakt iedereen en het is niet mijn schuld. Juist in dat soort omstandigheden kan ik alles loslaten en ervan genieten dat dingen anders gaan dan gepland.
Vanochtend bracht ik Heike op de slee naar de opvang. Erik fietste door het bos, ploegend over een pad dat niet geschoven en niet gestrooid was, naar het station, wachtte op een trein die misschien niet rijden zou, maakte ’s middags alweer een plan om eerder naar huis te komen. Ik begon trager dan normaal aan een natuureducatieplan te werken waar druk op zat. Het schoot niet op. Ik besloot te gaan koken en sliep nog een uur, om het staartje van de griep uit mijn lijf te krijgen, wetend dat ik later deze week weer in staat ben om hyperefficiënt mijn to-do-lijst af te werken.
Het hoeft niet allemaal vandaag. Vanmiddag haal ik Heike eerder uit de opvang, zodat we terug kunnen sleeën, zodat het personeel – hopelijk – in alle rust naar huis kan. Ik heb op dit moment in mijn leven de luxe om me aan het ritme van de sneeuw aan te passen. Maar je kunt het ook omdraaien: we hebben er een norm van gemaakt dat de meeste mensen zich niet aan het ritme van sneeuw (storm, ziekte, kinderen, slaaptekort, seizoenen, enz.) kunnen aanpassen. Ik denk aan mijn moeder in de zorg die een paar minuten per patiënt heeft. Ik denk aan mijn vader in de aannemerij die voor tien uur ’s ochtends twee schepen gelost moet hebben. Ik hoor de kinderen op het schoolplein naast ons huis en ik denk: ik hoop dat ze de hele dag sneeuwpoppen kunnen bouwen, zonder angst voor een naderende Cito-toets.
Erik en ik sneeuwden eens in in Abisko, helemaal in het noorden van Zweden. Het was een overtreffende trap van ontregeling en niets bij wat er in Nederland gebeurt als er een paar vlokken vallen. Alle wegen en het spoor waren twee dagen volledig geblokkeerd door lawines. Een groep Aziaten, die in hetzelfde berghotel verbleef, raakte eerst in paniek en werd tenslotte kwaad op het personeel. Ze moesten Europa in veertien dagen doen. Hun vliegtuig wachtte niet. Dat is hoe wij ons dagelijks leven leiden. Het is erg gezond dat sneeuw dat zo nu en dan overhoop haalt.
Erik en ik pakten onze rugzak en wandelden op sneeuwschoenen nog een keer de bergen in. De Aziaten waren gedwongen om te blijven en werden die avond getrakteerd op het mooiste Noorderlicht dat Zweden in tijden gezien had.
