Bij de ingang van het kantoor waar ik werk, loop je tegen een arbeidsmarktcampagne aan. Er staat een vader op die een baby vasthoudt, daaronder: “een goede werk-privébalans – gun jezelf een baan bij ons!” Het klopt wel. Waar ik werk heb je ouderschapsverlof en schone kolfruimtes, je kunt vrije dagen bijkopen, je kunt parttime werken, thuiswerken, werken met kind op schoot, werken met kind aan de borst, werken als je kind slaapt – eigenlijk kan alles zolang je je werk maar doet. En toch klopt het niet.
De eerste dag na de kerstvakantie sta ik in een kelder aan de Oude Gracht in Utrecht op een zacht tapijt. Tegenover me staat een coach, een vrouw van ergens in de veertig met twee kinderen en een topsportverleden. Ik heb haar net een heel verhaal verteld over werk, en wat daarin niet werkt, dat ik al besloten heb om te stoppen, dat ik maar half weet wat er voor in de plaats komt, en dat ik bang ben om uit elkaar te vallen, of dat er niets van me overblijft, net als twee jaar geleden toen ik ook stopte. Ik wil de moed vinden voor wat ik in de wereld wil gaan zetten, zoals bivaknachten en poëzie. Ik ben er al maanden mee bezig, maar ineens, op dit moment, merk ik dat het me niet echt raakt. Er is nog iet anders. Het zit vlak onder de oppervlakte, het is wezenlijker, en het komt er niet uit.
We kijken elkaar aan. Ik vind het moeilijk om oogcontact te maken. Het voelt alsof er van tien kanten aan me getrokken wordt en ik niet weet welke kant ik op moet.
‘Hoe vind je het om moeder te zijn?’ Vraagt ze. En dan komen de tranen.
Ik zie ze overal om me heen, de jonge moeders die net niet omvallen. Ze houden zich staande in parttime constructies, in kolfruimtes, met ingewikkelde opvangcontracten en oppasroosters, op koffie, op chocola, met de gedachte dat alles op een gegeven moment weer enigszins normaal wordt, als de slaap terugkomt, als het werk beter wordt, als je niet meer zo alleen bent. Maar boven alles: als je eindelijk het gevoel hebt dat je óók moeder mag zijn.
Ik voel me heel erg moeder en toch voel ik me geen moeder. Ik weet hoe tegenstrijdig dat is en ik weet tegelijkertijd hoeveel vrouwen hetzelfde voelen. Een paar uur na de coaching zit ik, alsof het universum alle moederdingen bewust op één dag gepland heeft, met twee andere moeders onder gedimd licht in een huiskamer van een rijtjeswoning, een paar straten bij ons vandaan. Ik ben doorgaans niet de persoon die in vrouwenrituelen belandt. Ik wil dat wel, ergens, diep van binnen, maar ik ken die mensen niet en ik weet nooit precies wat ik mis, laat staan waar ik dat vinden kan. En toch zit ik hier omdat een van de andere moeders een moederritueel wilde doen en aan mij dacht, om onduidelijke reden. Ik was de afspraak bijna vergeten. Ik had hem bijna afgezegd.
We hebben een klein altaar gemaakt met dingen van onze dochters erop – we hebben alle drie dochters – zoals sieraden, geboortekaartjes, kaarsen. Ik heb twee armbandjes mee van barnsteen die ik kocht toen ik zwanger was, een kleine voor Heike, een grote voor mezelf. De kleine is nog steeds te groot voor Heike. Als ik hem om haar pols doe, kan ze hem over haar hand zo lostrekken.
‘Alsof het armbandje vertelt dat ik moet wachten op de dag dat ik echt moeder ben,’ zeg ik.
‘Het voelt alsof ik ook niet echt moeder ben,’ zegt de moeder die me heeft uitgenodigd, en die ik tot dit moment altijd als übermoeder beschouwde, zo iemand die geboren is om moeder te zijn, die al moeder was toen ze zelf nog in haar moeder zat.
Hier is iets raars aan de hand. Niet hier, bij de kaarsen en de handen die we vasthouden en de tranen die we delen, maar hier, in de wereld, waarin moeder zijn niet meer is dan een rol, die buiten de parttime baan en de kolfruimte en het geboorteverlof geen plaats heeft. Praktisch gezien is alles voor ons geregeld – waarvoor dank aan generaties van vrouwen die daar voor gestreden hebben. Maar het zijn vrouwenrechten in een mannenwereld die nog steeds geen moeders van ons maken. Daarvoor is iets anders nodig, iets waarin onze wereld niet voorziet, iets dat we zelf tussen de bedrijven door moeten regelen, als we nog kunnen voelen dat we het nodig hebben, en ons niet allang hebben neergelegd bij ‘het zijn nou eenmaal tropenjaren’.
Ik ken vrouwen die het heerlijk vinden om weer aan het werk te zijn, die zichzelf daar terug vinden, het kolven als rustmoment beschouwen en een zekere balans in de chaos gevonden hebben. Maar ik ken meer vrouwen die de scherven van hun oude en nieuwe bestaan niet aan elkaar gelijmd krijgen. En ik denk dat juist die vrouwen iets belangrijks in handen hebben. Iets zwaars, maar belangrijks.
Zij weten diep van binnen dat moeder zijn niet gaat over wel of niet of hoeveel of waar werken, over wel of niet kolven, over wel of geen borstvoeding, wel of geen carrière, wel of geen thuisbevalling, mammadag, pappadag, kinderopvang, vrouwenquota, attachment parenting, glazen plafonds, opvoeding, enz. enz. Zij weten dat moeder zijn een grote sprong én een geleidelijk proces is van geboorte geven, doodgaan, verbinden en herverbinden met die delen van jezelf die er eerst niet waren, of niet hoefden te zijn, en die delen van jezelf die je bent kwijtgeraakt.
Werk-privébalans bestaat niet. Moeder worden doe je jarenlang de hele dag. De zogenaamde balans gunt je in het beste geval de tijd die je nodig hebt voor de sprong en het proces. In het slechtste geval loopt het vol praktische dingen die niets met moeder worden te maken hebben zodat er alleen tropenjaren overblijven die we in onze druk-druk-drukke maatschappij normaal zijn gaan vinden, of zelfs als een deugd beschouwen.
De coach staat tegenover me met een rood kussen in haar hand. Ik heb mijn ogen gesloten.
‘Ik heb moederschap in mijn handen,’ zegt ze.
Het is een kussen, denk ik.
Maar als ik mijn ogen open doe, en naar het kussen kijk, zie ik moederschap en ik weet niet wat ik er mee aan moet.
‘Ik vind het heel erg saai om moeder te zijn,’ zeg ik.
‘Ik vraag me af of je dat echt vindt,’ zegt de coach. En ik weet op dat moment al dat ik dat niet echt vind.
Ik voel me overweldigd en opgeslokt en naar de rand van de maatschappij geduwd. Een paar dagen na de coaching en het magische vrouwengebeuren vraag ik me plotseling af: wat als ik me die rand helemaal eigen maak? Nee wacht, ik ben me die rand al een tijdje aan het eigen maken. Misschien is dit wel de beste plek waar ik op dit moment als jonge moeder kan zijn. Want aan de rand beland ik plotseling wél in rituelen, neem ik Heike mee op lange wandeltochten en stop ik wéér met werken, niet omdat ik het niet aankan, maar omdat ik iemand anders aan het worden ben.
