“Als niets er wezenlijk toe doet dan blijft er weinig anders over dan het je maar zo gemakkelijk mogelijk te maken.” Dat schrijft filosoof en psycholoog Kees Vuyk in Weg van de natuur.
Toen ik het boek bij de bieb in handen had, dacht ik in eerste instantie: niet wéér zo’n terug naar de natuur-boek. Dat verhaal ken ik ondertussen wel.
Voor wie het niet kent zal ik het kort samenvatten. Vanaf de zeventiende eeuw, toen de wetenschap opkwam en God dood werd verklaard, heeft de mens zich steeds meer afgescheiden van de natuur. We maken er geen onderdeel meer van uit, maar denken het naar onze hand te kunnen zetten. Al doende maken we de wereld en onszelf kapot. Er is een ogenschijnlijk simpele oplossing: we moeten terug naar een natuurlijk leven. Maar dat blijkt in onze huidige samenleving praktisch onuitvoerbaar.
Kees Vuyk leek een diepgaander antwoord te hebben, en daarom begon ik toch te lezen. Hij laat alle destructieve effecten van ruim drie eeuwen vooruitgangsdenken godzijdank in een paar alinea’s passeren en duikt dan in de menselijke psyche. Wat doet het eigenlijk met ons, dat we buiten de natuur zijn gaan staan? Wat doet het met ons als mens, met het beeld dat we van onszelf en de wereld hebben, en de manier waarop we ons staande houden?
Zonder houvast
We hebben geen grond meer onder onze voeten, zegt Vuyk. We weten niet meer wie we zijn en wat onze plaats is in de wereld. Het leven kan zelfs zinloos lijken. We kunnen de vrijheid (democratie) van een leven zonder God en gemeenschap maar moeilijk aan. En in het ‘ik’ dat er voor in de plaats komt, ligt ook geen antwoord. Dat is alleen maar bezig zich krampachtig te onderscheiden van de rest en vergeet de wereld om haar heen.
Mensen gaan daar verschillend mee om. De filosoof wijdt er uitgebreide politieke hoofdstukken aan, maar in het kort komt het neer op twee tegenbewegingen. De een pleit voor een terugkeer naar een hoger doel en een traditionele gemeenschap met sterke leiders. Deze mensen zien het leven als een strijd die wij – of vooral ‘echte’ mannen – moeten winnen. Alles is daarbij geoorloofd, van het onderdrukken van ‘zwakke’ vrouwen, buitenlanders, homoseksuelen, enz., tot het uitbuiten van dieren en het kapotmaken van landschappen. De ander wil de harmonie tussen mens en natuur herstellen, de mens weer terugplaatsen in de eenheid van alles dat leeft, waarin iedereen vrij en gelijk is. Cruciaal om die vrijheid in goede banen te leiden, is zelfbeheersing – beperking en verruiming van lichaam en geest in de vorm van bijvoorbeeld yoga, dieetvoorschriften en natuurgeneeswijzen – maar ook wetten, procedures en duurzame technologieën die van mensen nummers maken en van de natuur een laboratorium voor verdere optimalisatie.
Erg aantrekkelijk zijn beide tegenbewegingen in hun extremiteit niet. Is er dan een derde mogelijkheid? Met die vraag kamde ik het boek van voor tot achter uit. Want ik lijk met mijn ‘dichter bij de grond’ misschien een aanhanger van de harmonie tussen mens en natuur, of zelfs een aanhanger van het ’terug naar God en gemeenschap’, maar ik ben eigenlijk een zoeker naar een ander antwoord, een tussenweg misschien, een alternatief uit de alternatieven waarbij ik me nooit thuis heb gevoeld.
Een andere weg
Vuyk helpt me op weg naar een alternatief, al blijkt het een typisch filosofenantwoord – theoretisch, weinig uitgewerkt voor de praktijk van het dagelijks leven. Hij besteedt er maar negen pagina’s van het 197 pagina’s tellende boek aan. Vuyk grijpt nog even terug naar de twee tegenbewegingen, die beide gebaseerd zijn op heersen en beheersen – van de natuur of onszelf. Daarna introduceert hij de weg van het spel. De mens is daarin deel van de natuur en speelt zijn eigen rol. We spelen om onze vaardigheden te vergroten. Soms wint de mens, soms wint de natuur, zodat beide kunnen groeien.
Bij het woord spel moet ik heel even aan mijn dochter denken. Jonge kinderen leven in een wereld van spel. Ze zijn niet uit op vergelijken, winnen, efficiëntie en productie. Volwassenen worden daar vaak onrustig van (schiet nou eens op! Doe niet zo onhandig! Ik doe het wel! Nee, dit zit zo!) en walsen met hun rationele denken continu tegen het spel in. Als ze dat lang genoeg volhouden, wordt de zin van het kind om te leren, op onderzoek uit te gaan en het leven aan te gaan steeds kleiner.
Maar hoe vertaal je spel naar een volwassen, gezonde manier van samenleven? Het meest concrete voorbeeld dat Vuyk geeft, is degrowth, de afname van economische groei als een weg vooruit waarbij plaats wordt gemaakt voor immateriële, dus persoonlijke groei en plezier. Onze omgang met andere dan menselijke natuur zou dan, als een soort dans, in het vormen van partnerschappen moeten liggen – het speels aftasten van de ander en onszelf. Vuyk noemt het spelmodel het ‘oermodel’, een manier van omgang die inheemse culturen duizenden jaren gewoon is geweest.
Bij het spel hoort ook de dood, die we in ons overheersen van de natuur zo angstvallig op afstand proberen te houden. De dood is geen vijand van het spel, maar datgene dat ruimte voor nieuw leven maakt en respect voor andere levens afdwingt. Dat is misschien wel het moeilijkste te verteren voor ons – onze meest fundamentele natuurangst – dat wij of de mensen om ons heen ook dood kunnen gaan. Er is een verschil tussen waardig doodgaan en elkaar uitmoorden. In spel gaat het over dat eerste, in onze politiek van heersen-beheersen over het laatste. Beide zijn verdrietig, soms traumatisch. Maar in het eerste zit nog iets van zin, terwijl het laatste zinloos is.
De praktijk
Voor mij vat dit het kernachtig samen: “Als niets er wezenlijk toe doet dan blijft er weinig anders over dan het je maar zo gemakkelijk mogelijk te maken”.
Het ons zo gemakkelijk mogelijk maken – onze consumptiemaatschappij – is niet houdbaar en maakt vrijwel niemand gelukkig. Het gaat erom een nieuw antwoord te vinden waarin iets zit dat er nog wezenlijk toe doet. En dat antwoord zit in het leven zelf, het ‘oermodel’, dat geen terug-naar-de-prehistorie betekent, maar een model voor het leven als een groot en wonderlijk avontuur, als je er ten minste in durft te stappen. Wat Vuyk eigenlijk zegt, is: leef niet om de dood uit de weg te gaan, maar ga het leven vol aan.
Hoe vertaal je dat naar het dagelijks leven zonder tekort te doen aan de complexiteit ervan? Die vraag houdt me al jaren dag en nacht bezig. Ik ben er zelf een boek over aan het schrijven. Misschien is Vuyks spelvorm inderdaad een behulpzaam idee. Het enige dat je kunt doen, is het leven steeds weer aangaan, ontdekken wie je bent in relatie tot de wereld, en wat er toe doet, de obstakels die je tegenkomt niet als eindstation zien maar als mogelijkheid om te groeien, en je onderweg verbinden met andere levende wezens. In mijn persoonlijke ervaring vind ik gaandeweg God – Natuur weer terug, maar op een heel ander niveau dan de eenzijdige God van de kerk.
Er is geen stappenplan. Er is geen gemakkelijke weg. Er is veel vrijheid, veel verantwoordelijkheid en niemand om de schuld te geven. Het begint telkens weer met eenzelfde centrale vraag: wat doet er wezenlijk toe in mijn leven? Daar begin je, daar word je bij iedere tegenslag weer op teruggeworpen, om start te passeren en het opnieuw te proberen.
