Zal ik met zeventien kinderen over die boomstam gaan? Eronder ligt een dun stroompje kraakhelder beekwater waar ze al doorheen banjeren. Zeiknat, met plastic potjes waarin nauwelijks leven zit, want de beek is benedenstrooms afgedamd. En toch vinden ze iets. Na drie dagen met deze klas in de natuur valt het me op dat ze overal leven vinden. Pissebedden, kevers, krekels en andere kleine kruipers waarvan ikzelf de naam niet eens weet. Maar dat maakt niet uit. Het gaat om de verwondering.
‘Kijk, juf! Kijk!’
Met hun potjes rennen ze af en aan. ‘Juf’ is mijn nieuwe naam en ik heb nog nooit zoveel zoetwatergarnaaltjes en zoveel gefascineerde kinderen gezien.
Zo ziet een schooldag in het bos eruit: bomenspeurtocht – beukenbladthee maken – in stilte een geluidenkaart tekenen – brandnetels door een loep bekijken – naar de bron van de beek – water filteren – sluipen met vossenoren en een brede blik – diersporen zoeken – een verhalenwiel maken.
Educatie of ervaring?
De natuur als klaslokaal. Dat is het idee van NatuurWijs, de stichting waar ik stageloop.
Terwijl de kinderen met takken slepen, luisteren, speuren, rennen, tellen, vergelijken en verzamelen leren ze niet alleen iets over natuur maar verbeteren – volgens allerlei onderzoeken – ook hun rekenen, taal, ruimtelijk inzicht, samenwerking en motoriek.
De kracht van NatuurWijs zit hem in de onderdompeling van meerdere dagen buiten, meestal drie, verdeeld over een schooljaar. En in de rode draad die door een dag heenloopt, zoals ‘bomen’, ‘dieren in het bos’ of ‘groei’, die alle opdrachten verbindt. Een buitendag wordt zo een educatief verhaal in plaats van een verzameling losse activiteiten.
Maar er is meer, iets dat moeilijker te onderzoeken en becijferen is. Iets dat voorbij natuureducatie en soortenkennis gaat en met verwondering en zelfvertrouwen te maken heeft. Veel meer dan leren uit een boek of van een smartboard dat doet, gaat een buitenprogramma over mens-zijn in en met de natuur. Het gaat over het leven zelf.
Maar hoe geef ik de kinderen in een paar dagen die essentie mee? Door waterbeestjes te zoeken? Door ze een tikspel te laten spelen waarbij vossen konijnen vangen? Door ze vijf minuten in stilte door de uiterwaarden te laten lopen?
Leren ze hier wel iets van?
Tijdens mijn stagedagen ontdek ik dat alleen al achter elkaar aan rennen door een bos en klooien bij een beek hun werking hebben.
Ik vond het aanvankelijk nogal intimiderend, het idee dat ik zelfstandig en zonder ervaring drie volle dagen voor een klas moest staan. Dagenlang werkte ik aan het perfecte programma, met een goede balans tussen kennis en ervaring, actie en stilte, leren en verwondering.
Ik werd er onzeker van hoe weinig kennis ik kon overbrengen in vergelijking met de volwassen groepen waar ik anders mee werk. Leren ze hier wel iets van? Hebben ze wel iets aan mij? Maar tijdens de dagen zelf blijkt dat ik er helemaal geen kennis in hoef te proppen. Ze gaan zelf op onderzoek uit. En eigenlijk wist ik dat wel van mijn driejarige dochter. Of van mijn eigen jeugd. Als je kinderen ruimte geeft en een inspirerende omgeving, gaan ze als sponzen van alles opzuigen en leren ze veel meer dan je voor mogelijk houdt of had kunnen plannen.
Hard werken
Het klinkt zo mooi, een inspirerende lesdag buiten. Maar op een natuurdag, ontdek ik, is het ook hard werken om zo’n grote roedel kinderen te begeleiden. Aan het einde van de dag staat een meisje uit mijn groep te huilen omdat haar vlotje is weggedreven dat we net van takjes en sisaltouw gebouwd hadden. Ik vind het belastend werk – mijn eigen zenuwen vooraf, het continu aan moeten staan op de dag zelf en de onzekerheid achteraf of het wel genoeg was.
Natuurgidsen is intensief, realiseer ik me, omdat natuur geen vanzelfsprekend onderdeel van ons dagelijks leven meer is. En juist dat maakt het voor mij ook zinvol.
Bosschool
‘Zo zou iedere dag moeten zijn,’ zeggen de hulpouders die mee zijn. En dat kan, denk ik. Er zijn al bosscholen die de natuur als klaslokaal als uitgangspunt voor al het leren nemen. Het valt me steeds weer op hoeveel mensen behoefte hebben aan meer natuur in hun leven. Voor zichzelf en voor hun kinderen.
De kinderen vinden de meest verrassende dingen leuk, merk ik tijdens de evaluatie aan het einde van de dag. Iets bouwen of maken is sowieso favoriet – vlotten, hutten, natuurschilderijen, dierenhuisjes. Spelletjes ook. Maar sommige kinderen herinneren zich nog dingen van eerdere dagen.
‘Dat je met weegbree de prik van een brandnetel minder maakt,’ noemt iemand.
‘Dat we moesten raden of we vlier- of paardenbloemlimonade dronken,’ zegt een ander.
Een meisje weet nog dat we na een tikspel in een groot grasveld lagen, met onze ogen dicht, en dat ze daar wel wilde slapen.
Ik heb soms moeite de meerwaarde van een buitendag te zien omdat ik zelf zoveel buiten ben, maar voor veel kinderen is zo’n ervaring niet vanzelfsprekend. Dan kunnen drie dagen een ware (of subtiele) transformatie zijn waarop ze iets over hun eigen natuur internaliseren, voor de buitenwereld misschien onzichtbaar, als inspiratie voor later. Iets waar ze misschien zelfvertrouwen en kracht vinden. Iets waar ze zich misschien wel diep mee verbonden gaan voelen.

De leukste natuuractiviteiten volgens de kinderen zelf lees je in dit vervolg.

Één reactie op “Natuur als klaslokaal: de kracht van buiten leren”
[…] een training tot NatuurWijzer ging ik drie dagen met groep drie naar buiten. Dit vonden ze zelf de leukste […]