Winterbivak op Schiermonnikoog

Winterbivak op Schiermonnikoog

In november is het koud en nat, ook op Schiermonnikoog. Ik slaap vier nachten in een kampeerboerderij, wachtend op beter weer. En dan, eindelijk, een nacht onder een zeil op het wad.

Ik ben niet echt voorbereid, maar ik heb een slaapzak, matje en een grondzeil dat net groot genoeg is voor mijn hoofd. Bij de supermarkt heb ik schoenveters gekocht, vier keer negentig centimeter, om mijn zeil in een struik te hangen. Ik eet een broodje kaas, drink thee uit de thermosfles. Het begint een beetje routine te worden, dat buitenslapen, maar op een goede manier. Rustgevend en vertrouwd. Het gras is nat, de grond modderig, het daglicht wordt langzaam door de horizon uitgegumd. De vuurtoren neemt het over, maar onderaan het duin zie ik niet meer dan een vage gloed.

Ik houd niet zo van strand en eilanden, maar Schiermonnikoog is één van de meest verlaten gebieden van Nederland. Er is nog wilde natuur en ‘s nachts wordt het echt donker. Het klonk als een Beloofd Land dat ontdekt moest worden.

Dus ging ik ontdekken in de dagen voor mijn bivak. Vanaf dag één hing er een grauwbruine deken in de lucht waar miezer uit kwam. Goed ingepakt – muts, wanten – wandelde ik de kwelder op. Het water trok zich uit de kreken terug en legde een zompig moeras bloot. Achter me lag nog een reepje duinen, berken kromgegroeid door de wind, maar voor me was niets. Zo leek het. In een diepe plas stond een bordje ‘Bouwe Hoekstrapad’, wat betekende: hier begint de mistige leegte. Vanaf daar kon ik nog vijftien kilometer lopen. Ik had laarzen nodig, er zouden geesten uit de modder omhoogdrijven. Als je van het water drinkt, of van de paddenstoelen eet, kom je er nooit meer uit.

Natuurlijk is niets leeg, en ontdekte ik de levendigheid tussen het natte zand. Schelpen, vogels, bomen en struiken in winterrust.

En na al dat wandelen dus de donkere kampeerplek. Volgens mij heb ik nooit eerder twee uur lang op mijn rugzak in de stilte gezeten en niks gedaan. Golven met onrustige gedachten komen over me heen, daar tussendoor is het magisch. De zee klinkt als een snelweg. Fazanten grommen in de struiken. Verschillende tinten zwart in de lucht verraden de regenwolken. Er zijn windvlagen, zachte druppels, daarna weer een heldere hemel, en sterren. Zo veel en zo groots dat ik het gevoel heb dat ik voor het eerst in mijn leven sterren zie.

Op een gegeven moment kruip ik tussen het dons. Ik heb het niet koud, mijn winterslaapzak is warmer dan mijn bed thuis. Als ik een paar uur later wakker word, is het droog. Ik trek het zeil weg en lig naar de Melkweg te staren. Ruimtepuin beukt op de atmosfeer in, verbrandt, een snelle gloed, er knipperen vliegtuigen doorheen. Ik ben op een planeet, denk ik.

Als de volgende morgen de zon opkomt, wordt dat vermoeden bevestigd.